top of page

Existentiële chaos in het filosoferen

Updated: Nov 17, 2023

Het thema van de Week van de Kinderfilosofie, 13-21 april 2024, luidt 'Is chaos erg?' Mijn associatie bij chaos is niet de drukte die je kunt meemaken in de klas als je komt filosoferen. Ik denk hierbij aan mentale en zelfs existentiële chaos.

Ik voelde me geroepen om mijn mijmeringen over deze chaos op het digitale papier te zetten. Of het vervolgens ook 'erg' is, deze chaos? Volgens mij hoort die chaos erbij, al kan 'ie wel doodeng aanvoelen. Oordeelt u zelf.

Wat gebeurt er tijdens het filosoferen?


Filosoferen is een activiteit die niet naar feitelijke antwoorden leidt. Waar je wél uitkomt, door zelf zorgvuldig vragen te stellen, mogelijke opties af te wegen, concepten te definiëren en kritisch argumenten af te wegen, is bij een heldere eigen visie. Met je persoonlijke subjectieve visie hoop je zo dicht mogelijk de objectieve werkelijkheid te benaderen als je maar kan. Maar het blijft subjectief, onvolledig, want de Welt an Sich laat zich niet vangen in een stukje tekst. Zo voelt dit oneindige streven naar een zo zinvol mogelijk perspectief soms aan als een Tantaluskwelling.

In dat proces bevraag je geregeld je eigen conceptuele kader. Allerlei aannames die zich nietsvermoedend in je referentiekader hadden genesteld, komen aan het licht. Of het nu om je definitie van 'liefde' gaat, over de kenbaarheid van de wereld of het bestaan van de vrije wil, maakt niet uit. Nieuwe perspectieven dienen zich aan en dat is vaak het enerverende van een filosofisch gesprek. Je denkt: Aha! Tof, daar had ik nog nooit over nagedacht.


Maar het kan ook enigszins ontwrichtend zijn om je vertrouwde conceptuele kaders te laten rammelen. In de klas merk ik dat regelmatig. Juist in de eerste les, bij de introductie van filosofie, kan dit al gebeuren. Ik geef dan een paar voorbeelden van filosofische vragen om aan te geven om wat voor soort vragen het gaat. Een categorie vragen die niet door een wetenschapper kunnen worden onderzocht en waar geen feitelijk antwoord op bestaat. 'De antwoorden kunnen we niet vinden in een antwoordenboekje. Maar je kunt wel nadenken over je eigen antwoorden.'

Kunnen dieren denken? Heeft het universum een einde? Waar was je voordat je in de buik van je moeder zat?

Na het geven van een paar voorbeelden, is het hek al gauw van de dam. De kinderen komen zelf met vragen over bijvoorbeeld de eerste mens op Aarde, waarom we haren hebben of over aliens op andere planeten. Laatst gaf ik lessen op een school in Amstelveen aan drie groepen 7 en drie groepen 8. En in iedere klas, waar dit aan ligt kan ik alleen maar over speculeren, was er wel iemand die het lijstje filosofische vragen aanvulde met vragen van deze categorie: Leven we niet in een illusie? Zou het kunnen zijn dat wij speelpoppen zijn van een stel reuzen? Van Goden? Een game van grotere wezens?


De kentheoretische sprong


Dit soort vragen doet denken aan het verhaal in de film The Matrix - waarbij iedereen bleek te leven in een virtuele realiteit. Ze nodigen uit tot het doen van het gedachtenexperiment: stel je voor dat we in zo'n constructie leven, hoe zouden we hier achter kunnen komen?

Het is een bekende gedachte, die de kenbaarheid van deze werkelijkheid ter discussie stelt, zoals ook filosoof René Descartes deed. Descartes schreef al onze zintuiglijke ervaringen mogelijkerwijs toe aan een Boze Geest. Hij was op zoek naar zekere kennis, maar stuitte daarbij op de bewijsbaarheid van de realiteit van je ervaring: Hoe kom je er nou achter dat dit alles écht is? Bij kinderen is, zodra je begint te filosoferen, het stapje naar alles bevragen snel gemaakt en dat kan leiden tot zware kentheoretische vragen.

Iets anders dat kinderen vrij snel kunnen inzien is de relativiteit van onze taal. Bij een onschuldig waarheidsspelletje in het begin van een serie filosofielessen, komt het vaak voor dat een paar leerlingen in de wij-mensen-hebben-zelf-de-woorden-bedacht-trip terechtkomen. Wie teveel schrikt van het verschil tussen de wereld zelf en de woorden die we ervoor hebben om te proberen die wereld te beschrijven, zou er misschien psychotisch van kunnen worden. Maar vermoedelijk leiden zulke inzichten bij kinderen vooral tot een vruchtbaar besef van de noodzaak om zorgvuldig je woorden te kiezen en bescheidenheid in het claimen van waarheid.


Filosofie kan eng zijn


De activiteit van het filosoferen is dan wel autonomie-versterkend, goed voor de sociale en cognitieve ontwikkeling, maar een beetje eng is het ook soms. Ooit las ik een verhaal van Toon Tellegen voor, uit En toen wisten zij alles. De Eekhoorn en de Mier wilden wandelen naar het einde van de wereld. Ik was bij een groep 6, we hadden over het 'niets' nagedacht en een paar weken later mochten de leerlingen zelf filosofische interviews houden met elkaar. Eén meisje oefende even met een klasgenoot en kwam naar me toe. Ze weigerde dit te doen. Ze had geoefend met de vraag wat er vóór de Oerknal was en ze kwam teveel in de knoop. Ze riep ontdaan: 'Maar juf, dat kán helemaal niet! Eerst was er NIETS... en toen ineens... IETS! Dat kan toch niet? Dat is toch helemaal niet mogelijk? Hoe kan iets nou uit niets ontstaan?'

Haar inzicht was geweldig, ze kreeg van mij veel waardering voor haar dappere denkwerk. Maar ze was wel in paniek geweest. En terecht. Want eerlijk gezegd snap ik niet dat niet iedereen continu in shock is van deze logische onmogelijkheid.


En los van deze paradox, zit bij élke filosofische vraag zo'n spannend randje. Het antwoord kan namelijk 'ja' of 'nee' zijn. Wie er gelijk heeft weten we niet, en het lijkt erop dat ze vaak zelfs tegelijkertijd een goed punt hebben! De werkelijkheid is genuanceerder dan we kunnen bevatten en daarvan raakt je brein goed in de knoop. Soms is een antwoord niet ja of nee, maar valt het niet mee om een concept (vriendschap, liefde, een tafel, Goed, denken, ziel) te beschrijven. Hoe meer je het probeert, hoe meer vragen gesteld worden en hoe vager het wordt. Alleen dit al, voelt niet aan als zekerheid maar als chaos.

Met klassen van dertig leerlingen zit minstens één leerling ergens op 'het spectrum'. Sommigen hebben extra behoefte aan voorspelbaarheid, regelmaat en orde. Voor deze kinderen is filosofie vreselijk, want de vragen maken het hele leven vaag. Ik heb wel eens meegemaakt dat een leerling boos werd van mijn vragen. Hij mocht gelukkig van de vaste leerkracht snel zijn koptelefoon opzetten en iets anders doen. (Hiertegenover staat juist weer een grote behoefte aan filosofie, die bij andere vormen van autisme juist extra aanwezig kan zijn. Zie mijn blogpost hierover. Misschien omdat het bouwen van cognitieve bouwwerken, los van sociale en persoonlijke associaties, voor sommigen op het spectrum juist heel vertrouwd en veilig aanvoelt.)


Zoeken naar het mysterie


Het spannende aan filosofie is, als ik collega filosofen kan inschatten, ook het aantrekkelijke eraan. Filosofie kan je vanzelfsprekendheden opschudden en zoekt ernaar een vinger te leggen op een tot dan toe ongrijpbaar mysterie. Filosofen in de geschiedenis pogen iets te beschrijven wat tot dan toe nog niet gevat werd. Een doorsnede van de realiteit te pakken die doorgaans vergeten werd. Maar dit spannende onderzoek kan dus opwindend zijn, maar tegelijk ook eng, want in dit proces schuren we vaak langs een gapend gat, een onontgonnen terrein, waar ons brein nog nooit was geweest of zelfs nooit zal kunnen komen. Ons verstand is rustig als alles duidelijk en logisch is. En alles wat voorbijgaat aan het bevattelijke, kan bedreigend aanvoelen voor ons verstand.

Ik denk dat filosofie en alle takken van de wetenschap manieren zijn om orde te scheppen in de chaos. Er worden categorieën aangebracht en systemen ontwikkeld om de wereld te duiden en van betekenis te voorzien. En dat geeft rust. Maar de vragen die erachter liggen, of die eraan vooraf gingen, zijn waar we ons in de kinderfilosofie op richten.


Filosofie brengt besef van het zijn

Op een andere manier kunnen filosofische vragen door hun aard confronterend zijn. Ze kunnen ons menselijke wezen ter tafel brengen. Of het nu gaat over ethiek of wetenschap of AI of metafysica, eronder ligt het besef dat wij organismen zijn die in een cultuur proberen te (over)leven en geen idee hebben welke aard de materie, het leven en het bestaan hebben. Waarom? Waarvan gemaakt? Hoezo? Ik? De verwondering die hand in hand gaat met filosoferen bevat een kiem tot een bestaansbewustzijn. Het bestaan zelf áchter de dingen, de wereld en jezelf, kan voelbaar worden. Vroeg of laat, kan een filosoof onder al die vragen het zijn zelf ervaren. Het is dood-eng om de schijnwerpers hierop te zetten, want 'het bestaan' is confronterend. Immers, het brengt besef dat je ook ooit doodgaat.

We proberen er kaas van te maken, maar roeien maar met de riemen die we hebben: ons verstand. Door het web van vragen moet iedereen zich heen worstelen en maar weinig nemen de tijd om dit soort vragen te doordenken. In beslag genomen door het leven zelf.


Filosoferen met kinderen


Als kinderen in de klas filosoferen stellen we ze bloot aan de diepste vragen die geen volwassene ooit volledig heeft beantwoord. Je kunt het in de klas niet bij 'veilige' vragen houden, waarvan ze niet in de war kunnen raken, want zodra duidelijk is om wat voor soort vragen het gaat, dan komen ze er zelf mee. Ze komen op vragen die hun hele denkkader in de war kan gooien en hun eigen bestaan van een ander perspectief laat bekijken.

Maar kinderen zijn gelukkig enorm veerkrachtig. Ik heb vaak het gevoel dat zij, ongehinderd door veel kennis en nog elke dag lerende, als een spons kneedbaar en flexibel, de intense confrontatie met filosofische inzichten beter kunnen doorstaan dan volwassenen. Soms lijkt het alsof zij vragen met hun hele lichaam proberen te ervaren, met hart en ziel, met hoofd en hart, en niet louter rationeel. En het lijkt alsof ze, in tegenstelling tot volwassenen, nog geen angstige buffer hebben opgebouwd tegen de chaos van het niet-weten.

Erken de chaos, benoem de twijfel

Wel is het van belang dat wij kinderfilosofen de leerlingen duidelijk maken dat twijfel erbij hoort, dat filosoferen hersengymnastiek is en dat ze zelf een knoop mogen doorhakken ook al weten we het niet 100% zeker. Ik benadruk zelf vooral dat grote mensen het ook niet weten, en dat ik zelf juist heel erg geniet van dit soort vragen. 'Mij mag je midden in de nacht wakker maken met een mooie filosofische vraag,' zeg ik dan. Maar ik realiseer me wel dat het voor sommigen, die baat hebben bij mentale orde, het toestaan van de onzekerheid lastiger is.


Ik kan me voorstellen dat er emoties ontstaan bij het 'vage' van het filosoferen. Misschien onderdrukken kinderen de frustratie van het niet-weten, of zelfs de angst of boosheid, om mee te kunnen blijven doen. Ik zeg vaak dat het goed kan dat je hoofdpijn hebt na het filosoferen, net als spierpijn na het sporten. Maar ook sluit ik vaak de eerste les af door te zeggen dat er geen echt einde is aan een filosofisch gesprek en dat dat onbevredigend kan zijn.


Bij de zes lessen in Amstelveen deed ik een rondje ter afsluiting met de vraag wat ze ervan vonden, in één woord. Gelukkig noemden ze leuke woorden als 'interessant' en 'leuk', maar ik hoorde ook: 'para' en 'raar'. Dat hoorde er blijkbaar ook bij. Natuurlijk druk ik, als gastdocent, de vaste docenten in deze gevallen op het hart dat ze de leerlingen in de gaten houden. Het zou mooi zijn dat de vragen die volgen doordat deze filosofische vlam is aangewakkerd, opnieuw serieus genomen zullen worden, zodat de leerlingen weten dat ze niet alleen zijn in hun zoektocht. En het zou helemaal prachtig zijn als de docenten zelf niet bang zijn voor de cognitieve chaos die deze vragen oproepen en dat ze ruimte kunnen maken voor het niet-weten.

Want chaos hoort erbij, we kunnen niet doen alsof de wereld, het leven, het bestaan en alles daartussenin, eenduidige, ordelijke, gesneden koek is. Anders zouden we niet zoveel filosofische vragen hebben.


17 views0 comments

Recent Posts

See All

Comments


bottom of page