De extase van jezelf overstijgen

bij de workshops van Young In Prison



Inleiding

In oude religies zocht men de extase op. Buiten jezelf treden om een vereniging met God te vinden, een eenheid met alles of de natuur. In Bachanalen door je te laven aan alcohol en orgastisch feest gewijd aan de god Dionysus. Door Sufi-wervelingen, in de rondte draaiend tot je de hogere mentale staat had bereikt. Jezelf fysiek afmatten door rondjes te lopen om een tempel al knielend, jezelf met zweepslagen op de rug te slaan.

Na mediteren kun je pure bliss ervaren, door tantrische seks tot grote hoogte stijgen, je kunt een pil xtc slikken en op extatic dance party’s dans je op blote voeten en je lichaam gaat als vanzelf helemaal los. Etcetera, etcetera.

De religieuze, spirituele, escapistische en hedonistische wegen lijken naar een zelfde ervaring op zoek te zijn. Extase: buiten jezelf treden. Jezelf verliezen of overstijgen. Er zijn soorten en maten, variaties, gradaties en wel achttien definities. Maar extase als het buiten-jezelf-treden lijkt een ervaring die overal ter wereld voorkomt. En een begerenswaardige.


In de Young in Prison-evenementen in jeugdinstellingen door de jaren heen, kwam de frase ‘in extase’ ook nu en dan oppoppen. En dat is opmerkelijk, want de werkzaamheden van YIP lijken in de verste verte niet op de hierboven genoemde bezigheden. Toch lijkt er in de ontmoeting tussen de YIP-docenten en de jongeren in de jeugdinstellingen, middels het doen van de workshops, YIP-stijl, van graffiti tot sport, van fashion tot muziekstudio, van spoken word tot filosofie en mindfulness, geregeld vonkjes over te slaan. En dan komt het woord extase soms weer kijken. Daarom onderzoek ik wat er nou precies gebeurt in deze ontmoeting waarvoor we het woord extase kunnen aanwenden.

Allereerst even een eerste reactie: iemand is toch altijd alleen maar zichzelf? Hiervoor moeten we ons eerst afvragen: wat is een zelf dan?

De afgelopen 20 jaar heb ik me verdiept in de thema’s identiteit, het zelf, het ik, het ego en het bewustzijn. Ik schreef er een boek over, Mijn ego en ik, en de inzichten hieruit laat ik graag over deze kwestie schijnen.

De gedachten die een mens gebruikelijk heeft, persoonlijke associaties en herinneringen, alles waarmee hij zich identificeert, maar dus ook alle negatieve associaties, overtuigingen over hoe slecht of waardeloos hij zelf is en de beperkingen die hij zichzelf oplegt. Dit is het ‘zelf’ dat zo vertrouwd voor diegene is. Een veranderlijke constructie van gedachtenpatronen; oosterse filosofie noemt dit het ego.

Het tijdelijk minder actief ervaren of zelfs het uitschakelen van álle gedachten en dus ook de overtuigingen en je zelfbeeld, kan dus ook voelen als het vergeten van jezelf, het overstijgen van jezelf, het buiten jezelf treden. Een extase betekent dat de neurologische netwerken, waarbinnen je normaal gesproken de wereld waarneemt, niet (zo) actief zijn, of minder synchroon vuren dan normaal, zodat ze tijdelijk niet zo aanwezig zijn, tijdens de ervaring van de wereld. Daarbij kan een heerlijke balans van natuurlijke opiaten, dopamine, serotonine te vinden zijn in het bloed. Een lekker gevoel dus. Maar bovendien is de geestelijke beleving belangrijk: datgene wat je normaal gesproken als je ‘zelf’ ervaart wordt overstegen.


Waarom dit in YIP-activiteiten inderdaad nu en dan, en vooral in onzichtbare vorm en in meerdere en mindere mate voorkomt, en waarom dit gunstig is, zal blijken uit mijn observaties van een aantal workshops filosofie in de zomer van 2020 en 2021 en mijn bespiegelingen hieromheen.


Achtereenvolgens zal ik schetsen wat zelf-transcenderende staten zijn en dit toepassen op hoe het loslaten van negatieve overtuigingen in het zelf-beeld en het mogelijk maken van verbinding. Dan schets ik wat er zoal gebeurt in YIP-workshops, waardoor er veilige sfeer ontstaan om oude overtuigingen los te laten en nieuwe overtuigingen toe te laten in het zelfbeeld. Docenten nemen de jongeren serieus en stellen zich op als vroedvrouw bij creaties in de workshops. Dit helpt bij de ontplooiing om te worden wie ze willen worden, te ontdekken wie ze zijn en hoe ze in de wereld staan, en bovendien om ze weer grip op hun eigen leven te laten voelen. De jongeren bereiken gaat via de kunsten en het lichaam, niet op een rationele manier.


Wat is extase?


Wanneer zouden deze jongeren extase kunnen voelen? Als ze een potje basketbal winnen met de mooiste dunk? Misschien levert dat een euforisch gevoel op dat je extase kunt noemen. Als ze losgaan op bij het dansen in de workshop van DJ Lucky? Zou kunnen.

De schrijver met de moeilijke naam, Mihaly Csikszentmihalyi, zet in zijn boek Flow – Psychologie van de optimale ervaring, uiteen hoe bijvoorbeeld sporters, kunstenaars of schrijvers een speciale staat van de geest kunnen bereiken: flow. ‘In de zone zijn’ noemen ze het ook. Het is de mentale staat van iemand die een activiteit uitvoert met een totale energieke focus en volop genietend. Bij de beoefening van allerlei activiteiten, zoals surfen, tekenen, basketballen, kun je in een perfecte balans komen, waarbij de vaardigheden die je moet aanwenden precies het midden nemen van nieuw en bekend. Het moet niet te moeilijk en niet te makkelijk zijn. Je geest moet zich volledig maar moeiteloos concentreren. De flow betekent het verlies van het gevoel van tijd en een gevoel van ‘zelf’. Als je een deel van je leven de tijd en jezelf kunt vergeten, geeft dit glans, zelfs zin aan je leven, aldus het verhaal over de flow.


Een flow is nog vrij haalbaar voor iedereen. In oosterse religies en tradities wordt al millennia verlichting nagestreefd en beoefend en de totale verlichting is misschien haalbaar voor een enkeling, maar vele mensen overal ter wereld hebben ooit in hun leven een mystiek ervaring waar ze ook hun ego, hun ‘zelf’ loslaten of overstijgen.

Als een flow al zelf-transcendentie mag heten en dus extase is, dan kunnen we focussen op meer momenten dat het zelf wordt losgelaten. Een voor de hand liggend zelf-loslaten is bijvoorbeeld bij een feest, waarin je door dans of drugs, jezelf, en dus je persoonlijke patronen, voor een tijdje loslaat. Deze ervaringen kunnen snel voorbij gaan, of juist mega-intens aanvoelen.


Voor de YIP-workshops relevante vorm van jezelf-loslaten zit hem in de beweging in de overtuigingen, en daarmee het overwinnen van een angst. Stel: er is een oud patroon, de overtuiging ‘ik kan het niet, ik ben waardeloos’, die ervoor zorgt dat je je niet durft te uiten in het leven. Je weet niet wie je bent of wie je wilt zijn. Ook niet middels muziek, schilderen, graffiti, vocaal of het geven van je mening.

Zo kan het ook voelen voor de jongen in de Deejay-workshop van Lucky, totdat hij voor het eerst aan vette draaitafels heel soepel de ene track in de andere laat overlopen. Het klinkt goed. Het klopt. ‘Ik kan dit!’

Over die drempel stappen en het tóch doen, is het forceren van de drempel, het openbreken van de gesloten deur. De angst is overwonnen, je durft het tóch. Je uit je, je vormt je, je ontplooit je.

Het oude ‘zelf’ (‘ik ben waardeloos’) kan een kort moment of minutenlang losgelaten zijn. Het ego wordt overstegen en nieuwe verbintenissen worden gelegd. Het zelfbeeld kan worden bijgewerkt: de negatieve overtuiging ‘ik ben waardeloos, niemand wil mij horen, ik ben een loser’ kan worden vervangen door een positieve ervaring: ‘ik word gehoord, ik kan iets, ik mag er zijn’.


Wat ook kan gebeuren door simpelweg geraakt te worden in een gesprek of door muziek: het schild is naar beneden en je masker is af. Je kan geraakt en dus veranderd worden. Er zit beweging in. De ketens zijn af. Je bent vrij.

Het zijn onzichtbare verschuivingen, de momenten gaan weer voorbij, maar ze zijn vruchtbaar en betekenisvol voor de vorming van een positieve toekomst.


Het gaat dus over het loslaten van oude patronen, het over-‘winnen’ van jezelf, je ego achter je laten - ook al was die negatief ingekleurd. Dit proces kan eng zijn, omdat het onzekerheid geeft als je je zekerheden loslaat. Mensen zijn als de dood om hun masker af te zetten. Want wie ben je zonder je masker?

Maar als je het aan boeddhisten vraagt, kan het loslaten van je ego ook pure bliss opleveren. Een extreem lekker gevoel, dat ontstaat als je uit je gedachten treedt, angst loslaat, ontspant, liefde toelaat. En dit wordt ook wel extase genoemd.


Als je nu het scorende doelpunt maakt bij het basketballen en je brengt je team hiermee een overwinning, dan giert de extase door je hoofd. Misschien is het in zo’n duidelijk geval emotioneel te omschrijven in meer fluffy termen: een vervulling van zelfliefde. Of nog zweveriger: voel je licht of liefde instromen. Zo voelt het waarschijnlijk wel.

Op cognitief niveau is die winnaar ongelooflijk blij met het nieuwe feit: ‘ik mag er zijn’, ‘ik ben waardevol’, ‘ik ben belangrijk’. Zo overduidelijk, dat de flow, waar hij ongetwijfeld al in zat terwijl hij dat winnende punt scoorde, omgeslagen is in een gedachteloze staat waarbij hij zich-zelf te buiten was.


De extase van het loslaten van jezelf en de kans op verbondenheid


Ik zou dus willen stellen dat extase voorkomt bij het loslaten van (een deel van) jezelf. Het is zelf-transcendentie, zelf-overstijging, hoe groot of klein ook. Wereldschokkend of minimaal.

Het is een injectie bliss, dopamine of een lichaamseigen XTC, die ontstaat bij de verschuiving van de vanzelfsprekende en vastgeroeste ketens van onze overtuigingen.

De flow van de sport of kunst maakt sowieso al dat er weinig gedachten zijn, en de roes volgt zodra duidelijk is dat je gewonnen hebt: het moment dat je in jezelf plots de overtuiging mag toelaten: ‘Ik ben waardevol!’

Deze entering van het nieuwe maakt dat het oude patroon (je ‘zelf’) waarin twijfels, negatieve oordelen, angsten, boosheid bestaan, even gepauzeerd is. Een break van jezelf.


Hoe ongrijpbaar dit soort subjectieve ervaringen ook zijn, tegenwoordig wordt er steeds onderzoek gedaan naar zogenaamde transcendente ervaringen. Zo doet psycholoog David Yaden wetenschappelijk onderzoek naar zogenaamde ‘veranderde staten van bewustzijn’. Niet alleen in boeddhisme of filosofie, maar ook in de psychologie bestaat het blijkbaar: The science of self-transcendent experiences. In een aflevering van The Psychology Podcast van host en cognitief psycholoog Scott Barry Kaufman spreken Yaden en Kaufman over allerlei recent onderzoek. Kaufman en Yaden menen dat zelf-transcendente ervaringen overal en bij iedereen kunnen voorkomen, niet alleen in boeddhisme maar in alle geloofssystemen, ook atheïsme.


Er is een spectrum van intensiteit. Een flow is al zelf-transcendent, en iets sterker is het gevoel van awe, oftewel ontzag. Bij awe valt je mond open omdat je kaken iets loslaten en worden je pupillen groter, en is er ook een vertraging in de ervaring van tijd. Het kijken naar bijvoorbeeld een sterrenhemel, een prachtig natuurlandschap of een kunstwerk kan awe teweegbrengen.

Ergens op het spectrum zou ik zelf ook verwondering en vervreemding plaatsen: als toestanden waarin het ego even op losse schroeven staat en ook bij dissociatieve psychiatrische problematiek is er iets aan de hand met het zelfbeeld dat niet vanzelfsprekend is.

Aan het uiteinde van het spectrum vinden we de diepere en mystieke eenwordingen, waarbij het gevoel van ‘zelf’ helemaal verdwenen is, het tijdsbesef weg en een enorm overweldigend gevoel van eenheid wordt gevoeld. Die verbondenheid is het sterkst wanneer je verder je op het spectrum zit. Deze eenwordingen zijn zeldzaam. Hiermee worden profeten en goeroes geboren, en mensen vinden hun innerlijke roeping, wat het ook is. Over mystieke eenwordingen worden al millennia lang filosofische en religieuze teksten geschreven, terwijl zo’n ervaring eigenlijk niet in woorden te omschrijven valt.


Yaden en Kaufman zien de therapeutische effecten van ál dit soort zelf-transcendente ervaringen, klein of groot. De grote echter zijn dramatisch transformatief: ze blijken stimulerend voor het welzijn en pro-sociaal gedrag, en zorgen voor minder verslaving, minder depressie en dankbaarheid voor vrienden en familie.

Yaden vermoedt dat de verklaring voor de therapeutische effecten van zelf-transcendente ervaringen je niet alleen moet kijken naar het stilvallen van dat zelf, dat ego, het default-network. Hij gelooft dat er nog iets anders is dat het positieve effect verklaart en dat is de verbondenheid. Het hoeft niet eens een verbondenheid met het hele universum te zijn. Nee, verbondenheid op zich, met iets, een groep, een bezigheid, is genoeg. Het zorgt dat je in de wereld bent, je ermee verbindt.

Je voelt je één met anderen, je bent van dezelfde partij, je hoort bij elkaar. En dat laat je binnenkomen. Je laat je raken. Je gelooft ‘ik ben niet alleen’, ‘ik ben veilig’. Iemand die zich als een schildpad in zijn schild heeft teruggetrokken wil niet verbonden zijn en zal zijn geest niet toestaan zich verbonden te voelen met wie of wat dan ook.


Ik denk dat een kleine uitstap naar onze menselijke oertoestand hier zinvol kan zijn. We voelen ons verbonden met onze eigen tribe. Maar wat tegenwoordig de tribe is waar je bij hoort, is ingewikkelder dan vroeger. In principe voelen we ons verbonden met familie en vrienden, terwijl sommige vrienden je op het slechte pad brengen en sommige familie je mishandelt of afwijst. Alleen in positief, verzorgend, niet-afkeurend gezelschap kunnen we ons verbonden voelen. Zulk gezelschap vervult een biologische basisbehoefte van levensbelang: sociale veiligheid. In de moderne maatschappij waar we niet omringd worden door onze veilige tribe, is een menselijk zenuwstelsel voortdurend gespannen en worden stressvolle situaties vaak niet verwerkt.

Ik kan me goed voorstellen dat het met deze sociale veilige gevoelens bij deze jongens niet goed gesteld is. De maatschappij heeft ze verstoten, de autoriteiten spreken ze alleen maar streng toe, in de groep hangt een grillige macho-hiërarchische sfeer en ouders zijn teleurgesteld in ze. Geen wonder dat ze snakken naar de tijd dat ze hun moeder weer trots zullen maken. Waar oh waar moeten deze jongens zich sociaal veilig voelen? Hoe kunnen ze zich ontspannen in het leven en hun zenuwstelsel vertellen: ‘Ik ben veilig’? Hoe kunnen ze zich veilig, gewaardeerd, gezien en verbonden voelen?


‘Wat vond je van de theaterworkshop?’ vroeg ik aan een van de jongens. ‘Okay.’ ‘En wat vond je het leukste eraan?’ ‘Gewoon kletsen. Met iemand anders dan anders.’ ‘Met wie dan?’ ‘Met Alexa.’

De jongen vond het fijn om te kletsen met Alexa. Zij was er niet om hem te beoordelen, analyseren, rapporteren of te straffen. Zij babbelde gewoon met hem als ‘mens’. Waardoor hij zich niet meer per se de jongen in een jeugdinstelling voelde, waardoor hij niet alleen maar een ‘gedetineerde’ wás, maar dat deeltje van zijn identiteit los kon laten en vervangen door een positief gevoel van betrokkenheid, verbondenheid met een ander mens. En daarmee: met de wereld. Een anekdote die toont dat jongeren graag als mens, en niet alleen met hun delict bestempeld willen worden, vertelde Jaap van der Spek, oud-directeur van YIP: ‘Wanneer een jongere gevraagd werd naar een situatie die speciaal was voor hem, dan kwam er wel eens een verhaal terug in de trend van: ik kocht in de bus een kaartje voor een oude mevrouw die haar portemonnee vergeten was.’ Dat verdient uiteraard een ander stempel. Duidelijk is dat de jongen dit graag erkend zou zien. Interessant, als we dit deel van zijn identiteit wat meer leven zouden inblazen.


Ik vermoed dat een zekere veilige band en een vorm van verbondenheid tijdens de meeste workshops van YIP mogelijk gemaakt wordt, door de stijl van lesgeven, de niet straffende houding van de docenten en de gelijkwaardigheid die er gevoeld wordt. De jongeren kunnen het gevoel krijgen dat ze echt gezien worden.


Serieus genomen


De deelnemers aan de filosofieworkshops mogen ervan maken wat ze zelf willen. In het proces, het gesprek dus, worden ze totaal serieus genomen. Om met Emmanuel Levinas te spreken: ‘Je weet niet op voorhand met welke interpretatie de gesprekspartner voor de dag komt, maar je gaat ervan uit dat hij sowieso iets te vertellen heeft en je respecteert zijn intelligentie.’

Dit doen de YIP-filosofie docenten, en dit zie ik bij alle workshops terug. Het geduld, het respect. Überhaupt het inzetten van workshops om een kunst te leren ter expressie van jezelf (graffiti, mode, muziekstudio, rap, spoken word) zegt: Ik zie jou, ik wil weten wat jij te vertellen hebt. Het hoeft niet, maar hier heb je de tools, als deze vorm je bevalt kun je jezelf laten zien.

Het hoeft geen Shakespeare te worden. Bijna iedereen uit de zware verhalen die zijn ervaren op straat, in hun jeugd. De pijn wordt geuit, soms omhuld met stoere woorden, maar oprecht. Geweld verheerlijken is hierbij niet de bedoeling, hiertegen is een basisregel van YIP. Een docent zal altijd de ruimte nemen om het gesprek aangaan over de rafelrandjes in hun verhaal. Maar ze stellen zich hierbij niet op als een moraalridder. Ze zijn geen betweters, rechters of, nog erger, teleurgestelde ouders.

Een jongen die bij de filosofie-quiz herhaaldelijk afdwaalde onder het mom van ‘ik zat niet op te letten’, ‘ik heb niks opgeschreven’ en ‘ik weet het niet’, loopt nu naar de muur waar de post-its al opgehangen zijn door Lamyn. Hij wil er nog iets bijschrijven. Blijkbaar wil hij het nu graag echt goed doen.

Lamyn leest de antwoorden voor:

‘Iets bereiken en je ouders trots maken’. ‘Als je wint ben je vrolijk’. ‘Moeder trots maken, vrij komen.’ ‘Dan sta je 1-0 voor.’ ‘Wanneer ik goed sta. Wanneer ik mezelf wint.’

Lamyn stelt goede vragen: ‘Hoe kwam je op je moeder?’ ‘Dus moet je per se een winnaar zijn?’ ‘Een winnaar is niet dat je altijd alles goed doet.’ Lamyn: ‘Ik kijk naar jou want jij bent scherp’. Complimenten werken als een goede motivator. ‘Ja, je mag fouten maken toch? Winnen is iets persoonlijks toch? Als je doel is om tweede te worden, en je wordt tweede, dan heb je gewonnen.’ Terwijl een enkeling vindt dat winnen alleen in de context van een wedstrijd gebeurt (als je wint ben je vrolijk), trekt deze jongen winnen gelijk aan het behalen van persoonlijke doelen. Je maakt van je eigen leven het spel, je stelt doelen en die ga je halen. Het leven is één grote game. ‘Ja,’ zegt een jongen. ‘In mijn gedachten maak ik mijn doel, en die bereik ik in mijn gedachten.’


Alexa geeft theaterlessen. Ik vraag haar voordat we door de gangen naar het lokaal gaan, waar voor haar de theaterworkshops om draaien. Wat wil zij bereiken met de jongens?

‘Ik wil ze vooral heel serieus nemen,’ zegt ze. ‘Dat raakt ze. Dat maakt het verschil. Dan nemen ze het zelf ook serieus. Ze zeggen: Zie mij, kijk mij, ik ben hier. Stiekem stralen ze dan. Verborgen natuurlijk, want er heerst een strenge hiërarchie met allerlei sociale regels die ze verbieden om zich kwetsbaar op te stellen.’ Soms grijpt ze de kans om heel indirect een diepe wijze les duidelijk te maken. Ze leest vaak een scène uit de Mocro Maffia met ze. Een spannende keuze, want de vraag is of je door zoiets uit de leefwereld van de jongeren op tafel te leggen, dan niet ook de geweldsverheerlijking steunt die in deze sub-cultuur bestaat. Weliswaar meeliftend op de herkenning bij de jongeren van de serie Mocro Mafia, wil Alexa de pijnlijke realiteit die ook in deze serie te vinden is met ze voelen.

Het is een scène waarin ouders hun kind moeten begraven dat in het criminele circuit is omgekomen. ‘Eerst lezen we samen het script. En dan zie ik ze zo...’

Ze doet een reactie van een jongen voor: kijken, knikken, wegkijken... een besef van iets schokkends, door de ogen van ouders kijken. Niet iets wat ze dagelijks doen. Maar Alexa zou niet moraliseren. Geen waarschuwend woord over consequenties van je daden.

‘Goeie scène, hè?’ zegt ze dan alleen.

‘Ja.. ja... goeie scène. Goed geschreven.’


In de workshop van vandaag laat Alexa de jongens scènes spelen van een briefje. Ze geeft ze een paar zinnen, waarmee ze mogen improviseren. Ze moeten veel cognitieve vaardigheden hebben om dit te doen: inleven, begrijpen wat je wel en niet uit de tekst kunt halen, wat je dus moet vragen of zeggen om de scène uit te voeren.

De jongens doen niet allemaal gewillig mee en maken veel grappen tussendoor. Er wordt een papier onder de deur door geschoven vanaf een aangrenzend lokaal en dwars door alles heen gaat de aandacht naar dit vel waarop een grote harige piemel staat getekend. Een van de jongens ziet dit als een leuke afleiding en de rest van de les gaat hij een briefwisseling aan met de jongen hiernaast, zonder te weten wie het is. Plotseling flitst er een beeld in mijn hoofd van mijn eigen geschiedenisleraar van de middelbare school, de oude, strenge meneer van Dijk, met witte haren en een rood hoofd. Hij zou zo’n tekening van een leerling direct uit zijn handen hebben gegrist en vloekend en tierend het papier verscheurd. Hij zou het symbool van baldadigheid en plezier aan stukken scheuren, hem afbekkend.


Alexa blijft rustig. Ze laat hem in zijn waarde, zo lang hij niet teveel stoort of respectloos doet. Ook bij de andere workshops die ik heb gezien, de muziekstudio van Tobias, de singer-songwriting van Neda of de rapworkshop van Rivelino, zijn de jongens ook wel eens stug, chagrijnig, afwezig of onwillig. Maar ook daar zag ik dezelfde houding van de docenten. Coulant, relaxed.

Bij zoiets als mindfulness verwacht ik dat jongens zelfs nog onwenniger zouden kunnen zijn. Maar Arash, die workshops mindfulness geeft, vertelt juist dat bij hem de groep nooit dwars ligt.

‘Ik besteed veel aandacht aan een band opbouwen. Ik vertel ze over mezelf, mijn leven, waar ik vandaan kom en over mijn moeilijke jeugd. Dan laat ik de dingen die gebeuren er gewoon zijn. Gisteren bijvoorbeeld, vroeg ik van de jongens een vrij lange meditatie, zes minuten, met eenzelfde focus. Twee jongens schoten in de lach. Een echte slappe lach, die we allemaal kennen van vroeger. Ik reageerde door het zonder oordeel te observeren en zei hardop: “Wat er ook is, mag er gewoon zijn. Als je merkt dat je bent afgeleid, ga je gewoon terug naar je ademhaling.” Ik keurde het niet af, maar respecteerde ook dat de rest doorging. Wat ze verwachtten is dat ik ze op hun plek zou zetten. En wat er gebeurde was: ze gingen uit zichzelf naar de andere kant van de ruimte.

Naderhand hielden we een nabespreking. Ik vroeg hoe het was voor ze.

De lachers zeiden dat ze hun lach gewoon niet konden inhouden. De andere jongens zeiden: “Ik was wel paar keer afgeleid, maar ik kon ook terugkomen.”

Wow, dat is echt progress! dacht ik. Ze waren echt voor zichzelf.

Een half uur later deden we het opnieuw en ze deden allemaal mee, ogen dicht, in volle concentratie.’



Socrates de vroedvrouw


Jongeren worden benaderd met een vertrouwen dat ook zij het kunnen. Alle mogelijke labels waarmee ze doorgaans worden beoordeeld, zijn niet relevant, ze worden benaderd als mens. En dat voelen ze. YIP docenten gebruiken geen top-down-methode om de jongeren de waarheid te vertellen, op de vingers te tikken of iets vóór te doen op creatief gebied. De docenten staan niet hiërarchisch boven ze, maar zijn gelijkwaardige gesprekspartners. Ze kijken niet naar als jongeren die iets verkeerd hebben gedaan, want dat is niet relevant voor de workshop. De jongeren worden uitgenodigd om iets te maken of te vertellen, ze worden benaderd als mensen waar enorm veel in zit. Dit sluit aan bij de metafoor die aan filosoof Socrates verbonden is: die van vroedvrouw. Socrates voerde met allerlei mensen een dialoog op het marktplein in Athene en ging uit van een aangeboren wijsheid en kennis over de waarheid. Ook als filosofisch gespreksleider moet je dit doen: ervan uitgaan dat de wijsheid al bij ieder mens aanwezig is, aangeboren. Maar je kunt het er niet uit trekken! Denk aan die te baren baby. Je kunt niemand iets voorkauwen of de klus van ze overnemen of iets erin stampen. Ieder mens moet zélf zijn wijsheid ‘baren’ en de docenten zijn er slechts bij, als vroedvrouw.

Het vroedvrouw-verhaal gaat op voor alle workshops. De jongeren willen natuurlijk stiekem allemaal groeien en bloeien, snakken ernaar om te floreren, geboren te worden in hun beste vorm, net als ieder ander mens. De YIP-docenten stellen zich als vroedvrouw op. Ze assisteren: ze zeggen ‘push’, ‘ademhalen’ en ‘je kunt het’. Verder niks.


Lamyn zet de laptop klaar en binnen druppelen vijf ‘boys’ en een begeleidster. De sfeer is okay, sommige jongens kijken wat onwillig weg. Ze hangen in hun stoelen. Het is alsof ze in hun jassen achter hun rugtassen verscholen zitten, met pet over hun ogen en koptelefoon over de oren, net als op de middelbare school, alleen zijn al die dingen niet aanwezig hier. De jongens hebben alleen hun sportieve outfits om zich in te verschuilen. Er wordt gezegd dat een jongen nog geen Nederlands spreekt. Lamyn schakelt over op Arabisch en kletst wat met ze. Het ijs breekt al wat. De workshop is in het Nederlands, dus een van de andere boys ontfermt zich over de jongen, ze schuiven dicht tegen elkaar aan.

De filosofieworkshop start met een quiz, die moet duidelijk maken wat filosofie is.

Filosoferen is niet de goede oplossing zoeken zoals bij een puzzel en ook niet een middel vinden om rijk te worden. Filosoferen is zoeken naar wijsheid. Nu dat helder is, krijgen ze de vraag:

Wie is filosoof? A. Socrates. B. Lijpe. C. Cruyff. D. Allemaal.

‘Alle drie,’ zegt een jongen. ‘Want iedereen is filosoof maar op een andere manier.’ ‘Precies,’ zegt Lamyn. ‘Dus jullie ook, jullie zijn ook filosoof.’

Dit is zo ongeveer de point van alle filosofielessen. De jongeren zijn zelf filosoof. De docent is geïnteresseerd in de filosofische gedachten van de jongeren en stelt zich op als vroedvrouw.

Na de quiz introduceert Lamyn het thema van dit gesprek: winnen. Deze jongens hebben verloren, voor mijn gevoel. Dit potje althans. Verloren van de maatschappij. Eigenlijk hebben ze de regels van het spel verbroken en zijn ze gediskwalificeerd, voor een tijdje. Als je hun time out van de maatschappij hebben uitgezeten mogen ze weer meedoen aan het spel dat leven in de maatschappij heet, en misschien winnen ze dan weer.

In de filosofie-workshops is het niet de bedoeling om een lezing te houden over wat winnen betekent, maar juist om de deelnemers zelf te laten nadenken, door ze vragen voor te leggen waarbij we niet op een ‘goed’ antwoord zitten te wachten. Vragen als: ‘Moet je altijd winnen?’ ‘Is winnen goed?’ ‘Wanneer ben je een echte winnaar?’ leveren al veel stof tot nadenken.


De stelling die Lamyn er nu in gooit, luidt: ‘Winnen is belangrijk’. De jongens mogen stemmen met bepaalde handgebaren. Eens, oneens of twijfel. ‘Niet altijd!’ wordt er meteen geroepen. Er wordt gestemd. Drie stemmen ‘eens’ en twee stemmen ‘twijfel’. ‘Soms moet je iemand laten verliezen om zelf te winnen.’ Ze vragen zich af of het een bezwaar zou zijn als iemand anders hierdoor lijdt. ‘Mag je ten koste van een ander winnen?’ ‘Ligt eraan wat,’ zegt de een. ‘Mijn eigen doelen halen is wel belangrijk. Anders doe je het voor niets,’ zegt een ander. Lamyn vraagt: ‘Is winnen dan ook handig, zodat je gemotiveerd blijft om iets te doen?’ ‘Ja, om je doelen te bereiken,’ beaamt iemand. ‘Of als je je best hebt gedaan, dan is het ook goed.’ ‘Ja,’ zegt een jongen. ‘Het is belangrijk om je doel in gedachten te houden, bijvoorbeeld dat je goed werk wilt, dit, dat. Zo gaat het eigenlijk je hele leven door. Bijvoorbeeld: een doel is dat je een eigen oss hebt gekocht.’ (osso = huis)

‘Ik doe geen wedstrijd met niemand,’ reageert een ander enigszins boos. Hij staat op terwijl hij roept: ‘Ik ga mijn eigen doelen. Deze rapper is rijk. Soms val je naar beneden.’

Ik ervaar het als een poëtische uiting van zijn frustratie. Ik vermoed namelijk geen financiële rijkdom, maar een ander soort trots. Trots op zijn zelfstandigheid.

Lamyn vraagt om iets concreets: ‘Wie is een echte winnaar?’ ‘Mijn moeder. Zij heeft veeeel meegemaakt en toch staat ze nog steeds sterk in het leven.’ ‘Ah, dus het meemaken van nare dingen maakt je niet een loser ofzo?’ vraagt Lamyn. ‘Nee, alles wat je verliest is een leerpunt. Het maakt je sterker.’


Misschien is het niet evident, de waarde van het spuien van gedachten over een filosofisch thema. Het gaat van de hak op de tak en veelal wordt langs elkaar heen gepraat, maar eerlijk gezegd is dat vaker het geval in gesprekken van mensen. Het voordeel van een langdurig gesprek over een abstract thema is dat de jongeren uitgenodigd worden om zelf na te denken en ook nog om hun gedachten aan te scherpen. Ze verwoorden zichzelf en horen de mening van een ander, reflecteren op hun leven en op hun gedachten.



De zin van het leven


De jongeren met wie we te maken hebben zitten in een absurde tijd in hun leven, waarin ze beroofd zijn van hun vrijheid om redenen uit het verleden, dingen die ze indertijd al dan niet uit vrije wil hebben gedaan. De rechtvaardigheid van het leven zelf staat voortdurend op een wiebelige schopstoel. En dan nog de vraag naar de zin van hun eigen leven… Ze hebben vast wel tijd om erover na te denken, maar ik vraag me af of ze de moed hebben om zich erover te buigen.

Verteerd door schuldgevoel omdat ze hun ouders hebben teleurgesteld en boosheid om de pech, de maatschappij, de ander, eigen fouten en de financiële noodzaak, is hun verwarring erg gecompliceerd.


Ondertussen hebben ook zij vragen die een brave tiener ook kan hebben. Bestaat God? Waarom leef ik? Wat is belangrijk? Hoe kan ik mijn leven in orde krijgen? Wat zijn mijn doelen in het leven? Wat voor mens wil ik zijn? Kan ik zelf kiezen? Ze hebben uren te spenderen alleen in hun cel, maar vermoedelijk proberen ze vooral deze tijd te doden en hun geest te doven, met Playstations, sigaretten en ander vermaak, en daarin verschillen ze overigens niet veel van de meeste andere mensen.

Het zou kunnen dat juist de diepere levensvragen zelfs prangender zijn bij hen dan bij hun leeftijdsgenoten buiten, omdat ze minder houvast hebben in het leven. Zonder solide toekomstplannen en een veilige vriendenkring, sta je als het ware naakt in een braakliggend landschap te kijken naar de toekomst, terwijl een niet-delinquente scholier in een veilig gebouw zit, rustig doortimmerend aan de treinrails voor een reis naar het pretpark dat maatschappij heet.

Toegegeven, echte houvast over de zin van het leven heeft niemand. En het zijn niet letterlijk de kennis en vaardigheden die je op school leert, die een mens aankleden en wapenen voor die reis door de rest van je leven. Maar als braaf in die trein blijft zitten, vindt de vorming van je identiteit wel ongestoord plaats. Je wordt niet extra getraumatiseerd met het stigma ‘de maatschappij moet je niet’. In tegenstelling tot niet-delinquenten zijn jongeren in instellingen metaforisch ontspoord bij de ontdekking naar wie ze zijn en willen zijn: ze lopen met hun op te bouwen identiteit onder de arm.


In 2019 ben ik op bezoek bij een theaterworkshop van Tara. De groep voelt wat stroperig aan. Moeilijk vooruit te krijgen, misschien ligt het aan de hoge mate van psychiatrische aandoeningen van deze groep. Ze doen me denken aan de jongens op mijn basisschool die het sloomst waren, met name met gym maar ook in de klas. De zwaarte die door de klas ging als die heel slome jongen de beurt kreeg... Zou het gewoon een laag IQ zijn? Ik kan ze moeilijk peilen. Hoe zouden ze zich voelen?

Eén jongen steekt er wat dat betreft bovenuit, een lange slungelige jongen met sluik, lang, slordig haar. Zijn naam is Lenny[1]. Zijn gezicht staat grauw en grijs, zijn mond inactief naar beneden gekruld. Ik vraag me af of er iets gebeurt achter zijn doffe ogen. Het is een jongen waarvan ik het liefst wat afstand bewaar.

Vervolgens spelen we in groepjes een spel waarin we situaties moeten uitbeelden die dan door de groep geraden moeten worden. ‘Bij de tandarts.’ ‘Een sollicitatie’. Er mag niet bij gesproken worden. Iedereen doet mee, de sfeer was ongedwongen en mijn respect voor de theaterdocente Tara groeide elke minuut. Tijdens een uitbeeldoefening beland ik in een team samen met een stille, wat onhandige jongen, die niet echt openstaat voor overleg en mij überhaupt niet aankijkt. We slaan ons door de gênante momenten heen, niemand raadt ons ding, maar we krijgen een slap applausje en het is al met al toch grappig en wel gezellig te noemen.


Tegen het einde van de les spreekt Lenny mij onverhoopt aan. Ik was voorgesteld als ‘zij is filosoof en ze komt filosofie geven hier.’

‘Dus jij bent van de filosofie?’ vraagt Lenny, zijn gezicht nog in een ontoegankelijke plooi.

‘Ja, we zijn van plan om te filosoferen hier, ja. Ik ga een paar YIP docenten trainen.’

‘Dus jij bent filosoof?’ vraagt hij.

‘Ja, dat klopt, ik schrijf boeken en filosofeer met mensen. Dus ja.’

‘Wie is je favoriete filosoof?’ vraagt hij dan. Ik vind dat altijd een lastige vraag, maar vind het heel bijzonder dat Lenny mij deze vraag stelt.

‘Ik heb nog het meest met oosterse filosofen,’ zeg ik maar. ‘De Boeddha, als boegbeeld van het boeddhisme, maar ook Taoïsme en mystiek boeit me. Vooral de filosofie over de geest vind ik interessant. Wat is de geest? Wat is het ik? Wat is bewustzijn? Dat soort vragen.’

Lenny gaat niet op me in, maar kijkt me wel aan. Er is leven achter zijn ogen. Al lijken zijn wangen nog stil te liggen.

‘Filosofeer jij wel eens?’ vraag ik.

‘Ja,’ zegt hij. ‘Nou, ik vraag me heel vaak af hoe het zit, of dit allemaal met een reden is gebeurd. Ik bedoel, is het nou het Lot? Heeft iemand een bedoeling met ons? Is God ons allemaal aan het sturen?’

‘Wow, dat zijn geweldige vragen. Heel filosofisch. Ik weet het antwoord ook niet natuurlijk, maar wat super dat jij er zo over nadenkt!’

Hij kijkt een beetje verrast op.

‘Doe je dat veel, nadenken?’ vroeg ik.

‘Ja, vooral als ik stoned ben, geloof ik.’

‘Of het Lot bestaat dus. En bedoel je dan vooral dat je hier nu zit?’

‘Ja, precies. Kijk als ik zo weer vrij ben, weet je, dan heb je de keuze hè, om weer het slechte pad op te gaan of om op het goede pad te blijven. Maar het is net alsof ik dat niet zelf kan kiezen.’

‘Ben je bang dat je sowieso gaat afglijden weer naar het slechte pad?’

‘Ja… die kans is wel groot. Het is net alsof dat in een groter plan is bepaald.’

‘Geloof je niet in een soort vrije wil dan?’

‘Jawel, jawel…’ Hij peinst.

Ik bedenk me ineens dat hij wel eens christelijk zou kunnen zijn. ‘Geloof je in God?’

‘Ja, ja,’ zei hij zonder veel overtuiging. Het klinkt alsof de godsdienst hem met de paplepel is ingegoten terwijl hij er niet veel mee heeft. Hij zakt nog verder weg in een overdenking. Maar dan klimt hij er weer uit en begint weer:

‘Heb jij dat wel eens, dat je een soort aanwezigheid voelt?’

Ik moedig hem aan met mijn geïnteresseerde blik.

‘Ik heb soms als ik blowde een soort aanwezigheid gevoeld. En ik geloof dat die altijd bij mij is. Een soort geest, maar Goed, zoals Jezus. Iets hogers, zeg maar. Een engel ofzo. Ja, ik vertel dit niet aan iedereen hoor. Denk je dat dit bestaat? Die geest is goed, die kan mij op het goede pad houden, als ik naar hem zou luisteren.’

In mij bruist het enthousiasme over wat ik hoor. Ik luister niet als psychiater met diagnoses over psychoses, noch als religieus iemand die hem richting een godsdienst wil sturen, maar als neutrale filosoof zonder mening. Wat ik hoor is dat hij iemand is die zelf nadenkt en zoekt naar manieren om zijn ervaringen te duiden. Ook wil hij misschien zelfs handvaten hebben om zich in de dagelijkse praktijk van het leven aan vast te kunnen houden. In zijn strijd om niet als ongeleid projectiel direct misstappen te begaan en opnieuw opgesloten te raken, zou een geest, engel of een of andere projectie van het Goede, een geweldige morele houvast geven. Hij vergelijkt het zelf met Jezus; daarmee wordt het enigszins ingebed in een bekend religieus kader.

‘Wat fantastisch, Lenny! Jij bent echt een filosoof. Het Lot en een aanwezigheid, zijn diepe onderwerpen. Ik snap heel goed dat dit je enorm bezig kan houden. En met de meeste mensen ga je hier niet zomaar over praten, daarvoor is het te serieus of te zweverig misschien. Maar ík snap het zeker, en ik denk dat het belangrijk is dat je gewoon rustig erover blijft nadenken, wow!’

Zijn hele gezicht leeft nu, met een onwennige glimlach en pijn in zijn ogen. Ik hou van Lenny. Wie had dat gedacht, juist van de jongen waar ik in een boog omheen had willen lopen?

‘En laat je vooral leiden door die Aanwezigheid, zou ik zeggen. Die klinkt als een goede raadgever,’ voeg ik lachend toe.



Wie ben ik ?

Het antwoord op de moeilijke filosofische vraag Wie ben ik? wordt in het dagelijks leven beantwoord met een onuitgesproken en onbewust zelfgevoel, een zelfbeeld, een idee over wie jij bent op dit moment. Dit zelfbeeld wordt gecreëerd in meerdere lagen, chronologisch. Bij deze jongeren net als bij het gros van de jongeren in het algemeen, zal er een gebrek aan eigenwaarde zijn, door de harde cultuur en opvoedingspraktijken vanaf de jongste jaren waarin ieder mens geworpen is. Dr. Gabor Maté spreekt over de hardnekkige trauma’s (de effecten in ons lichaam als gevolg van ervaringen) waarvan de oorzaken niet eens dramatisch hoeven zijn, wereldwijd tot ziektes leiden, tot verslavingen en de verharding van de cultuur dankzij alle getraumatiseerde mensen die op hun beurt weer vormgeven aan de cultuur en getraumatiseerde mensen die weer hun kinderen traumatiseren. Een eigenwaarde-probleem hebben we daarom bijna allemaal en dat is een groot probleem. In het zelfbeeld van de mens komt dit naar voren in een van de vele variaties op de overtuiging ‘ik ben waardeloos’ en men kan een leven lang proberen zich in bochten te wringen om te compenseren voor deze nare overtuiging.


In het geval van jongeren die misdaden hebben gepleegd, van welke aard dan ook, zijn er meestal heftige, ontwrichtende traumatische situaties geweest die hebben geleid tot uitvliegen naar de onveilige leefwereld en het begaan van de misstap(pen). Concreet: mishandeling, geweld, afwezige ouders of misbruik maken direct een opgroeiend kwetsbaar kind duidelijk: ‘je bent niks waard’.

De identiteit, het ‘zelf’-beeld is dus al negatief ingekleurd met negatieve gedachten. Deze gedachten liggen niet passief in een hoekje, maar worden bewust of onbewust voortdurend in de geest van elke gevangene gedacht of gevoeld.


En tenslotte komen daar ook nog de overtuigingen bij die momenteel in hun identiteit als ‘gevangene’ passen, zoals ik zei: ‘de maatschappij heeft me afgewezen’, ‘de wereld is tegen mij’ of, indien er schaamte is: ‘ik ben slecht’. Het zijn gedachten als ‘ik kan niet mee met de wereld, de wereld is hard, ik moet stoer zijn, ik mag geen gevoelens hebben, ik moet mezelf bewijzen.’

Rode kaart, straf, op de bank, gediskwalificeerd, loser.

In welke specifieke vorm ze ook gedacht worden, de bottom line is: ‘ik ben waardeloos’, of ‘ze willen me niet’, ‘ik mag er niet zijn’.

Wie met een beetje empathie kijkt naar het bestaan van deze overtuiging in iemands geest, ‘ik mag er niet zijn’, voelt hoe hartverscheurend dit in feite is. Bij ieder mens is het naar, en in dit geval dus bij deze jongeren.


De theaterdocent Alexa beantwoordt mijn vraag wat eigenlijk haar doel is met de theaterlessen: ‘Gewoon plezier hebben! En ze de kans geven te denken: “Ik ben gewoon een kind en ik heb een theaterles!”’ Dit is veelzeggend. Ze mogen ‘gewoon een kind’ zijn. En dus niet ‘de gevangene, slecht, hopeloos, dom, druk of vervelend.’

Plus: ze mogen er gewoon zijn. Ze mogen zijn wie ze zijn. En ze worden serieus genomen, dus misschien kunnen ze daaruit afleiden dat ze waardevol zijn.



Ontdekken wie je bent

“om kinderen en jongeren hun eigen stem te uiten, hun eigen meningen te construeren, creatief te zijn, talenten te ontwikkelen, en hun eigen unieke identiteit te ontplooien”

Tegenwoordig zijn er progressieve stromingen in onderwijsland. Er wordt naar school gekeken niet meer als een fabriek waaruit producten komen -namelijk burgers voor onze kenniseconomie-, maar een vormingsplek voor echte mensen waarin (20e-eeuwse) zijn vaardigheden ontplooid.

Gert Biesta, professor in educatie theorie en pedagogie, is een woordvoerder van het moderne geluid en kijkt met een filosofische blik naar het ideale onderwijs. Hij voert een pleidooi [2] voor kunsteducatie, die hij niet beschrijft als een vorm van kennisoverdracht over kunst, maar als methode om kinderen en jongeren hun eigen stem te uiten, hun eigen meningen te construeren, creatief te zijn, talenten te ontwikkelen, en hun eigen unieke identiteit te ontplooien.


Mensen zijn geen eilandjes op zichzelf maar zijn in Biesta’s woorden: ‘in dialoog met de wereld’. Een metaforische dialoog die de interactie tussen ons en de wereld weergeeft. Deze dialoog, ‘anders dan een competitie, heeft geen winnaars en kent geen einde. Het is een levenslange uitdaging en daarom een echte existentiële uitdaging.’

Biesta gaat verder: ‘Kunsten zijn manieren waarin we proberen uit te vogelen wat deze wereld is en wat ze zijn in relatie tot die wereld.’

Dit ook om te proberen in die dialoog niet uit gesprek te gaan of juist destructief ten opzichte van de wereld te worden. In het midden tussen de twee extremen, in een existentiële balans, in dialoog blijvend met de wereld.


Dit precies gaat ook op voor de kunstvormen in de YIP-workshops.

Ook in de muziekstudio workshop van Tobias zag ik het gebeuren vorig jaar. Tobias laat ze alle ruimte, hij geeft geen druk. En soms komt er dan vanzelf iets uitrollen. Iemand komt met een beat. Iemand anders met een tekst. Iemand met een gitaarrifje. Of in een andere volgorde. Tobias mixt het professioneel aan elkaar en krijgen soms aan het eind van een serie workshops een CD’tje mee.

Tobias liet me een tekst horen van een track waar ze allemaal echt trots op waren. ‘Het is een beetje hetzelfde verhaal voor de meesten hier,’ legde Tobias uit. ‘Deze lyrics zijn geschreven door Melvin[3] en we hebben het spontaan opgenomen in mijn workshops. De jongens vinden het te gek om zo aan een track te werken, volgens mij. Ze zijn dan echt wel trots op hun creatie.’


So sick of the talkin'

sick of the losses

sick of never having cash in my wallet

I see the plug(?) calling

And i’m feeling kinda nauseous

'cause I know in a minute I can have it stashed in my closet

And if I knew to, I can make it flip

For the very first time in my life I finally got a grip

But the streets keep calling, I hope I don’t slip

‘cause it will only take a call for me to get a scrip(t)


Damn, you don’t know what I’ve been through

So many times I had a barrel to my temple

So fucking tempted, just to pop it like a pimple

So many problems, I just wish this shit was simple

My parents always work so I hung out on the streets

My rolemodels pop pills and smoke weed

I’ve seen it all when I was only thirteen

and everytime I look around I see those motherfucking dope fiends


[refrein]

That’s the life I chose, sometimes I’m feelin’ high but it’s mostly low

That’s the life I chose, I wonder where I end up on these icey roads


[couplet 2]

Damn, the whole time with this shit

Every week another overdose a kid I grew up with

I thought that this was supposed to be a good place to raise kids,

but everywhere I look I see somebody fucked up on some shit

Damn, I used to think that I was cool

Grippin’ a bottle, smoke blunts and skipping school

I fucking hate myself for everything I put my mama through

Everytime I screamed up in your face I should’ve hugged you


And all she wanted was for me to go and graduate

I finally did I see the tears roll down her face

First time I felt normal since 2008

That’s the year poppa got locked up ‘till he passed away

(…) this morning and it fucked me up

To tell the truth I think that’s the reason I turned to drugs

Started getting into fights and acting tough

And acting that to every single person that I truly love


[refrein]

That’s the life I chose, sometimes I’m feelin’ high but it’s mostly low

That’s the life I chose, I wonder where I end up on these icey roads



YIP workshops zijn er om te ondersteunen bij het erachter te komen wie zij zelf zijn, willen zijn, hoe zij denken, geloven, voelen, zich uiten, redeneren.

Deze lyrics zijn geniaal in het oprecht uiten van een complexe emotie en een verhaal dat bij meerdere jongens aanwezig zal spelen. Daarbij blijkt dat de schrijver niet het gevoel heeft dat hij grip heeft op zijn eigen leven. Als hij weer buiten is, zijn er weer die icey roads. Hij heeft nauwelijks houvast op zijn eigen keuzes.



Autonomie


Hoe krijgt een mens houvast? Die grip, op het leven en ook op je eigen geest, is een moeilijk vast te pinnen gevoel. Het is een gevoel van autonomie, van zelfsturing, van bewustzijn. Als je als mens voor een groot deel op de automatische piloot leeft, reageert op instinctieve impulsen en getriggerde reacties, dan ben je als het ware een geprogrammeerde robot.

Kun je daarentegen ook nu en dan reflecteren op jezelf, dan weet je de weg naar binnen, en dan kun je langzaam leren zien wie je bent en kiezen of je anders wilt zijn of handelen. Het is een lange weg, niet alleen voor jongeren in een instelling, maar voor elk mens.


Je zou het misschien niet zeggen, maar filosoferen is ook een weg naar binnen. Het is een vorm van zelfreflectie. Een filosofisch gesprek werkt in zekere zin aanvankelijk destructief: door discussies te voeren en door te vragen, worden woorden die vanzelfsprekend waren onder de loep genomen. (Wat is zin? Wat is liefde? Wat is goed? Wat is God?) Alleen deze mentale handeling al is vooruitgang, ongeacht het onderwerp. Eens stilstaan bij de concepten waarmee je werkt als mens, waarmee je denkt, en hierop reflecteren, geeft het opbeurende gevoel: grappig, ik leef zomaar met mijn eigen veronderstellingen, maar ik kan ook vragen stellen en anders besluiten.

Het is een licht gevoel van verwondering die het oproept.


‘Wat is de definitie van winnen?’ vraagt Lamyn. ‘Niet verliezen,’ wordt geroepen. De groep krijgt post-its en een paar minuten tijd om te schrijven. De jongen die geen Nederlands kan mag het in het Arabisch doen. Zijn ogen gaan door het lokaal. Niet verliezen is geen definitie. Hoe definieer je het positief? Wat ís eigenlijk winnen? Hij staart en zijn ogen glanzen en glimlachen verdwaasd. Ze lijken uit te stralen: ‘Hé, dit is moeilijker dan ik dacht. En grappig dat het moeilijk is.’

Ik kan natuurlijk niet in het hoofd van mensen kijken, maar vermoed dat de glanzende verdwaasde glimlach van de jongen die geen Nederlands sprak, betekent dat die een moment van verwondering beleefde.

Door je even los te maken van de vanzelfsprekendheid van dingen, ontstaat vrijheid. Je kunt een woord anders interpreteren of kiezen iets anders belangrijk te vinden of bewuster wéten dat je iets belangrijk vindt en waarom eigenlijk. Door stil te staan bij je eigen overtuigingen, krijg je er grip op. Het is een simpele cognitieve actie die niet vaak van een mens gevraagd wordt en toch zo essentieel is om te groeien naar wijsheid.

Wat vind ik eigenlijk? Waarom? Wat betekent dat woord? Bestaat dat wel echt? Hoe denkt een ander er over?

Concepten worden losgeweekt uit de vanzelfsprekende bril die een mens op heeft bij het beleven van de wereld.


Voor Arash is dit de essentie van zijn mindfulness workshops, mensen leren naar binnen te keren. Hij voelt zich geroepen om dit werk te doen: om ze hoop te geven om rust en vrede in je hoofd te ervaren. ‘Je zit in slachtofferschap, je kop maakt je gek. Maar er is een manier om je emoties en gedachten te observeren. Ik vertel ze: je kunt naar de onrust in je hoofd zonder dat het verschrikkelijk wordt. En dat is belangrijkste wat ze willen eigenlijk. Het lijkt alsof ze geld willen. Een huis en een auto.’

Ze denken dat dat huis en die auto ze rust en vrede zal brengen, maar ze weten nog niet dat ze dan nog steeds hun met de onrust in hun hoofd zitten. Arash vertelt ze dat het mogelijk is

om naar je gedachtestroom te kijken alsof het een rivier is, en je kijkt vanaf de kade. De gedachten hebben jou niet in hun greep. Zo worden ze minder slachtoffer en krijgen ze zelf meer ownership, zoals Arash het noemt. Ze worden autonoom.

Arash merkt dat na zulke sessies ook andere keuzes worden gemaakt. Zo gaat de een nu toch stoppen met blowen. En de ander besluit om toch het gesprek met zijn adoptieouders aan te gaan.


Het gevoel van autonomie is precies een stukje wat een gevangenschap dreigt af te nemen , terwijl het eigenlijk iets is wat juist gedurende de puberteit zich langzaam zou moeten ontwikkelen. Het gevoel dat je zelf kapitein op je eigen schip bent, je eigen leven mag vormgeven, is in tijden van gevangenschap ver te zoeken. Dat mag je juist even niet, voor straf.

Toch, om dit vlammetje niet volledig uit te doven, zijn in feite alle workshops van YIP gericht op dit gevoel van autonomie. Dit is duidelijk aanwezig is in creatieve processen zoals graffiti, song writing of spoken word of muziekstudio, bij filosofie is dat net zo goed sterk aanwezig, want: jij bent de enige die kan bepalen wat jij denkt en zegt.

Jij mag zijn wie jij bent, maken wat jij wilt maken. Iedereen is iemand, in iedereen zitten creatieve processen die eruit kunnen komen. Hoe en óf jij dat wilt doen is uniek, wij kunnen het niet voor je doen; daarom ben je daarin teruggeworpen op je eigen autonomie. Zelfsturing. Vormgeving.



Geen therapie, wel aan narratieven sleutelen


De workshops van YIP zijn niet bedoeld om te psychologiseren. Maar ondertussen draagt iedere deelnemer aan een workshop bagage met zich mee, van waaruit hij denkt, voelt en dingen maakt en vindt. Die kun je dus niet wegdenken of negeren. Daarbij willen we ondertussen deelnemers die mensen van vlees en bloed zijn, en zich niet in de beste tijd van hun leven bevinden, natuurlijk wél een hart onder de riem steken, al waar dat maar mogelijk is. In het beste geval gebeuren er in de workshops van YIP zulke ontmoetingen dat ze als een rode loper dienen naar behandeling zou kunnen zijn. Er kunnen inzichten komen, radertjes in beweging, de wil kan rijpen en vertrouwen kan groeien om met zichzelf, met de eigen psyche, met ondersteuning van een behandelaar in beweging te komen.

Daarom zijn er in het filosofische gesprek en bij vele andere gesprekken ook vragen van persoonlijke aard. Bijvoorbeeld: Wat is jouw doel? Wie is jouw voorbeeldfiguur? Wat is jouw kracht? Vragen die een coach ook zou kunnen stellen.

Een narratieve therapeutische tool hoor ik van Arash, over de mindfulness workshops. Hij vertelt dat er laatst nog een mooie zichtbare doorbraak was bij een van de jongens.


Het was een klein groepje van drie en de vraag was: ‘Wat voor karaktereigenschap zou je heel graag willen, een die er nu niet is?’

‘Eigenlijk weet ik het niet,’ zei de jongen. ‘Ik ben wel tevreden.’

‘Maar over 10 jaar, wat zou er welkom zijn?’

‘Ja, één ding heeft me altijd in de problemen gebracht: als ze mij of mijn ouders beledigen, dan gaat het fout dan word ik agressief. Dat is ook waarom ik hier zit.’

Arash heeft samen met hem onderzocht wat ze hij daaraan zou kunnen doen, en er bleek een overtuiging achter te zitten die maakte dat de belediging persoonlijk nemen. Hij voelde de pijn dat hij niet geslaagd was in de ogen van in zijn ouders, en hij mist ze. Daarom is een belediging zo’n grote trigger.

Samen zochten ze naar een manier om hem te ‘her-programmeren’. De jongen mocht zelf een zin bedenken, later noemde hij het mantra, en die zou hij zich eigen maken door het als het ware helemaal in te ademen.

De mantra werd: ‘Ik neem een belediging niet persoonlijk.’

Een belediging is het probleem van diegene en het is niet de waarheid. Dat voelde hij. Arash heeft eerst de zin een paar keer herhaald, en daarna heeft de jongen hem zelf hardop een paar keer uitgesproken. Arash zag zijn schouders zakken, zijn gezicht ontspannen, en zei dat de jongen in zijn eigen ritme in zijn hoofd de mantra zou herhalen, ‘ik neem een belediging niet persoonlijk’. ‘Alsof je de nieuwe overtuiging aan het planten bent in je zenuwstelstel,’ voegde Arash toe.

Na een tijdje hield hij zijn ogen gesloten, mocht hij zijn linker en rechterhand voor zijn borstkas samenbrengen en knikken. ‘Als je handen elkaar raken betekent dat: het is gedaan, het is gebeurd, het is geschiedenis.’

Na de meditatie moest hij even bijkomen en daarna verscheen een grote glimlach. ‘Het voelde alsof er een soort huwelijk werd gesloten,’ zei de jongen.

Arash begreep precies wat hij bedoelde en vond het een heel mooi moment.


Ook in de filosofie wordt er een koppeling gemaakt naar een toekomstperspectief:


‘Tijd om het iets persoonlijker te maken, zegt Lamyn. ‘We hebben het steeds over doelen. Even concreet, waar hebben we het dan over? Wat is je doel op dit moment?’

‘Normale werk. Mijn moeder trots maken. Ik ga een huis kopen bij de Duitse grens. Daar is het goedkoper. En dan heb ik mijn Waggie en m’n Oss.’ (= auto en huis) ‘Hier uit komen.’ ‘Vrijkomen’. ‘Nee, dat is geen doel, dat gebeurt vanzelf. Als je je rustig houdt.’ ‘Is je rustig houden dan een doel?’ vraagt Lamyn. ‘Nee, want dat is niet moeilijk.’ ‘Mijn moeder niet teleurstellen. Naar school gaan. Niet meer opgepakt worden.’ Lamyn stelt de scherpe vraag: ‘Omdat zij dat graag wil of omdat jij dat graag wilt?’ ‘Ehh.. allebei.’ ‘Ik ben alles verloren. Ik heb geen doel.’


En in de theaterworkshop van Alexa.


Er worden kaartjes getrokken met vragen over de toekomst. Hoe zie je jezelf over 10 jaar? Uitstekend om hun narratief een toekomstperspectief te bieden. Zij zijn niet alleen maar ‘hier’, ‘vast’, ‘verstoten’, nee zij hebben een toekomst! Een geweldige psychologische tool die gebruikt wordt in de narratieve systeemtherapie. Een van de kaartjes stelt de vraag: Wat denk je dat er over 10 jaar in het leven van jezelf en andere deelnemers gebeurt? Het antwoord van de jongen, terwijl hij iedereen in de groep aanwijst:

‘Hij zit vast.

Hij is dood.

Hij zit ook weer vast.

Hij heeft levenslang.

Hij is advocaat.’

Ze lachen. Het zou te mooi zijn als ze plots fantastische toekomsten bedachten. Maar het stellen van de vraag, in principe, haalt ze uit het nu en geeft ze kans om te bedenken: wat ben ik dán? Wat kan ik zijn?


De jongen die advocaat zou worden, Andrew[4], lijkt iemand die het licht al gezien heeft. Later spreek ik hem en hij zegt dat hij geen advocaat wil worden, maar wel pedagogisch medewerker. Hiervoor moet hij nog zes jaar naar school, maar hij wil mensen helpen. Hij kan met zijn ervaring binnen voor goede veranderingen zorgen, denkt Andrew. ‘Wat voor veranderingen?’

‘Hardere straffen,’ zegt hij.

Ik schrik me dood. Hoe kan hij dat willen? ‘Anders leren ze het nooit. Niet hogere straffen voor de misdaad, maar geen eenmaal binnen moet je ze hard aanpakken, want ze moeten hun leven gaan veranderen.’


Misschien heeft hij gelijk en werkte dit voor hem. Ik zie de anderen voor me die allemaal of dood zouden zijn of weer vast zullen zitten volgens de voorspelling van hun groepsgenoot. Zou dit hun lot zijn, is er niets meer aan te veranderen en blijft hun leven een avontuur op icey roads, zoals in de rap van Melvin? Of kunnen zij een gevoel van autonomie, grip, ontwikkelen en andere keuzes maken?

Als ze zelf op dit moment het stuurwiel van hun eigen schip niet kunnen vinden, hoe dring je dan tot ze door?



Hoe kunnen deze jongeren geraakt worden?


Een voor de hand liggende verwachting zou zijn dat deze jongeren moeilijk te benaderen zijn, laat staan geraakt worden. Deze doelgroep van jongeren in hechtenis, waarbij de psychische toestand significant labieler, depressiever, geagiteerder is dan bij leeftijdsgenoten. Deze jongeren hebben stuk voor stuk dingen meegemaakt, een jeugd gehad die hiertoe leidde, en een afwijzing meegemaakt door het abstracte gegeven ‘de maatschappij’. Daarom hebben ze zich wellicht teruggetrokken. Uit de wereld teruggetrokken. Opgesloten in een cel, maar ook in zichzelf, als een schildpad.

Daarom des te dringender, als we ze weer willen uitnodigen om zich met de wereld te verbinden, hoe is de manier? Hoe kunnen ze, in Biesta’s woorden, die dialoog met de wereld weer aangaan?

Hoe kunnen we ze raken? Hoe durven ze zich open te stellen? Hoe verbinden ze zich weer op een hoopvolle manier met de wereld?


De vraag hoe je mensen kunt raken, écht raken, is überhaupt een moeilijke vraag. Hans Alma, professor in humanistiek en psychologe, schrijft in haar boek Het verlangen naar zin, kunnen we dit ‘geraakt worden’ terugvinden in de context van een zoektocht naar zingeving. Volgens Alma gebeurt dit ‘geraakt worden’ via andere wegen dan de rationaliteit.

Ze heeft het over de grote drama’s die er in een mensenleven kunnen plaatsvinden, zoals scheiding, overlijden van een dierbare, verlies van baan of huis. De schok van een dergelijke gebeurtenis zit hem in de overgang van datgene wat vertrouwd was naar de confrontatie met het onbekende. Deze tijden kunnen uiteraard emotioneel zwaar zijn en gepaard gaan met angst.

‘Toch zijn ze ook vol potentie,’ stelt Alma, ‘ze kunnen ons openen voor dat wat verhuld bleef onder de nevelsluier die we over de wereld heen legden om te kunnen hanteren.’

Filosofe Iris Murdoch meent dat ‘in die breuk en de opening die daardoor ontstaat, iets van waarheid zichtbaar kan worden: niet als een absoluut, rotsvast gegeven, maar als kleine vonkjes voor wat heel waar en waardevol voor ons voelt.’

Deze breuk, de opening, doet me denken aan deze citaten:

“There is a crack, a crack in everything
That's how the light gets in”

Uit het lied Anthem, Leonard Cohen, 1992


“It is through the cracks in our brains that ecstasy creeps in.”

Logan Pearsall Smith, Afterthoughts, 1931



Ik voeg de twee citaten samen en ze roepen bij mij de beelden op van zelf een scheur in het hemelgewelf – of beter: in mijn eigen hersenpan, waardoor het licht van daarbuiten straalt. Wat het licht van daarbuiten is? De extase? Misschien alle antwoorden op alle mysterieuze vragen die ons dagelijks omringen. Waarheid of liefde. Of God, voor de liefhebbers.


Interessant is dat we een belevingswereld hebben, waarin alles veilig en normaal is. Onze hersenen als ons ervaringsapparaat interpreteren de wereld binnen een eigen kader, een wereldbeeld en dit is wat we als ‘normaal’ en vanzelfsprekend ervaren. Hersenen werken over het algemeen op de automatische piloot met de geïnstalleerde programma’s. Hierin zit kennis, maar ook veel overtuigingen (ingebakken meningen) over hoe de wereld is en zou moeten zijn en de reeds genoemde overtuigingen over wie we zelf zijn. Negatieve overtuigingen bijvoorbeeld: ‘Ik ben niet goed genoeg’, ‘ik ben een loser’, ‘ik ben een slecht mens’, ‘ik mag niet zwak zijn’, ‘ze willen me niet’, ‘ik kan het niet’, ‘ik ben een teleurstelling’, ‘de wereld is onveilig’.

De nevelsluier, is bekend begrip vanuit oosterse filosofie, maya, een sluier die tussen ons en de wereld ligt. En dat is precies wat onze overtuigingen met de wereld doen, ze kleuren de wereld een beetje roze, een beetje zwart, je ziet het niet meer helder.

De sluier zelf is dus alles wat voor ons vanzelfsprekend is. Alles wat onze hersenen automatisch interpreteren van de wereld met als toevoeging van onze eigen associaties en overtuigingen.

Een deel van je vanzelfsprekende zelf loslaten, is precies hierom moeilijk. Het is erg voelbaar in een periode dat je niet meer geliefd wordt door je geliefde, als je je niet meer mag identificeren met je baan bij een ontslag, of als een andere zekerheid wegvalt, zoals je huis, het gevoel dat je mooi en jong bent, het idee dat je stoer en sterk bent, het onderdeel uitmaken van een klas, een maatschappij of een gezin.

Het moeten loslaten van een dergelijk onderdeel van je identiteit betekent een periode van rouw. Het geeft verdriet en kan angst opleveren, existentiële angst. De identiteit die er was is iets weg, en die leegte is pijnlijk. Je zelfbeeld is schokkerig, staat op losse schroeven. Het bewustzijn schiet omhoog en je perspectief zoomt uit op het leven in het algemeen, soms op je eigen bestaan zelf. En dat kan eng zijn.


Maar de openheid die de geest op zulke onthutsende moment heeft, biedt dus ook perspectieven, zoals Alma belooft. De verhoging van het bewustzijn kan licht schijnen op de vanzelfsprekende, onbewuste en vastgeroeste delen. De momenten kunnen daardoor vonkjes van waarheid bevatten, en omdat de mentale patronen momenteel op losse schroeven staan, kunnen er waardevolle nieuwe verbindingen gemaakt worden.


De metafoor van de scheuren en het licht, doet ook denken aan de metafoor van Plato’s grot. Een kleine opfrisser: de geketende mens zit gevangen in de grot en wordt bezig gehouden met illusies, schaduwen en echo’s van de wereld daarbuiten (het zelf). Toch kan hij de weg naar buiten aangaan, het verblindende licht doet pijn, maar eenmaal buiten ziet hij de wereld zoals die echt is. Vrij, autonoom en geestelijk verlicht.

Lamyn eindigt de discussie met een quote van de filosoof Lao-tse en vermeldt dat die ongeveer 2500 jaar geleden in China leefde:

Wie anderen kent, is knap

Wie zichzelf kent, is wijs

Wie anderen overwint, heeft macht

Wie zichzelf overwint, is sterk

Vechten ter zelfoverwinning. Zonder einddoel.


Hij leest de tekst twee keer voor vraagt wat de jongens erin horen. Want zelf horen wij wel overeenkomsten in deze millennia oude wijsheid en dat wat de jongens zeggen. Het stellen van doelen voor jezelf en die halen, is niet anderen overwinnen, maar jezelf overwinnen. Deze jongens hebben de wijsheid al in zich. Maar ze lijken de overeenkomst niet zo gauw te herkennen.

Wel reageert er een op het laatste zinnetje: ‘Zonder einddoel. Je hebt nooit gewonnen eigenlijk.’

En deze stimulus blijkt dus een prachtige voorzet voor Lamyns vraag: ‘Maar als je nooit gewonnen hebt, bestaat winnen dan wel eigenlijk?’

‘Eigenlijk niet,’ zegt iemand, ‘want er komt altijd wel iets nieuws.’ Het is het moment dat het concept is afgebroken. Winnen bestaat niet. De constructie is gedeconstrueerd. En duidelijk wordt dat tenminste bij twee jongens op zijn minst de vanzelfsprekende realiteit is uitgedaagd, bij de laatste check van Lamyn: ‘Wat is zelfoverwinning, want dat hoorde ik jou ook zeggen?’ Het is de jongen die bij de quiz steeds afhaakte, maar wel ijverig zijn tekst wilde bijwerken op de post-it. Hij staat op en roept: ‘Daar moet ik over nadenken, mijn hersenen staan in de fik, man.’


De ratio voorbij


‘Geraakt worden’ gebeurt dus niet op een manier volgens de rationaliteit, zoals Hans Alma zei. Daarom zou het kunnen dat juist in de kunsten de scheurtjes in de sluier van het vanzelfsprekende kunnen komen. Bij kunsten wordt een andere taal gesproken dan die van de ratio, eerder die van de intuïtie, de verbeelding, de creativiteit.

Het bewijs hiervan zien we zodra iemand iets aan het maken is. Iemand uit zich, en wil dus wat er in hem/haar aanwezig is, iets wat aangeraakt is, naar buiten brengen, via intuïtieve creatieve processen, en daarmee een plaats innemen in de wereld.


Filosofie gebruikt juist in principe de ratio, maar filosofie gaat door tot de ratio vastloopt. Het begint juist daar interessant te worden als je merkt dat je ‘het niet meer weet’. Het is dan niet meer logisch. Bestaat het concept dat je altijd zo vanzelfsprekend vond nou wel of niet. Logische ratio maakt plaats voor verwondering. Je hersens maken kortsluiting, of anders geformuleerd: ‘Mijn hersenen staan in de fik, man.’

Japanse Zenmonniken gebruiken een koan-raadsel om hun ratio te kraken en voorbij hun ego te komen, en ik zou graag stellen dat iedere filosofische vraag een soort koan is: rationeel gezien is elke filosofische vraag een onmogelijke puzzel. Als de ratio gekraakt is, kan er licht naar binnen.


Een andere mogelijkheid om de ratio voorbij te gaan om de jongeren te bereiken, zodat ze geraakt worden, is via het lichaam. Je hoeft niet dwars door het dikke schild heen, maar je hebt direct contact met het lichaampje van de schildpad.

Arash leert de jongens een basismeditatie die voorafgaat aan elke andere oefening en die ook het huiswerk is. Dit is een oefening om direct het zenuwstelsel te kalmeren en zo een shortcut te geven aan het brein met het signaal: ‘Ik ben veilig.’

De oefening is: adem vier tellen in en adem zes tot acht tellen uit. Dit doe je een paar minuten, zo lang als je wilt.

Arash: ‘Ik zie eigenlijk het woord extase ook zo: het komen uit het ego, uit de angst, de stress, de woede, het dierlijke in ons. Als je ademhalingsoefening doet die je zenuwstelsel kalmeert, ga je naar een andere dimensie toe. Vanuit angst gaat naar liefde toe. Dat voelt totaal anders dan de overlevingsmodus waarin ze meestal zitten.’

Ze gaan van de overtuiging ‘Het is niet veilig’ naar ‘Het is veilig.’


Een van de meditatievormen van Arash is gericht op dankbaarheid. De start van deze oefening is de breath of fire, hard uit je neus blazen, ook wel priming, genaamd, twintig keer en dan drie rondes. ‘Dit brengt al een soort van blissful state,’ zegt Arash, en dan maken we een bruggetje naar meditatie op dankbaarheid.’

Dit gaat in drie stappen:

1. Denk aan jeugd, iets waarvoor je dankbaarheid bent

2. Denk aan iets in toekomst waarvoor je dankbaar kunt zijn

3. Waar ben je nu op dit moment dankbaar voor?


Door wat de jongens dan teruggeven, is duidelijk een shift in hun geest is doorgemaakt. Waar zijn ze nu dankbaar voor?

‘Alles! Dat ik hier ben, ben ik dankbaar voor, omdat ik hierdoor leer wat ik anders zou kunnen doen. Dat ik een les mag leren.’

‘Niks is vanzelfsprekend, iedere slok water die ik neem, weet ik gewoon: ik had het ook niet kunnen hebben.’


Conclusie


Ik hoop dat hiermee aangetoond is dat in YIP workshops gelegenheid wordt geboden voor de extase, in de vorm van een zekere zelf-overstijging. Het ‘zelf’ als de ongrijpbare kluwen van overtuigingen en conditioneringen, positieve en negatieve, die ieder persoon met zich meedraagt en waarmee we de wereld waarnemen en door ons leven navigeren.

Zeer waarschijnlijk zijn bij de jongeren in JJI’s negatieve, destructieve, pijnlijke en schrijnende overtuigingen aanwezig, die afbreuk doen aan een volwaardig gevoel als mens. Met in het vooruitzicht een vrijlating naar de rest van hun leven, zou het natuurlijk mooi zijn de jongeren in hun tijd van hechtenis een kans te geven om een gevoel van grip op hun leven te voelen. Het zou een kans zijn om met betere kaarten in de hand naar buiten te gaan, dan met de hand waarmee ze binnenkwamen.


Een zelfoverstijging hoeft geen goddelijk eenheidsgevoel te zijn; ook in kleine vorm is het toch veelbetekenend. Het is een opening, een kans op ontspanning van de negatieve elementen in hun zelfbeeld, een weg naar binnen zich opent, een verschuiving, beweging in de geest. Een pauze van het automatische geconditioneerde leven, een moment van helder inzicht. De vastgeroeste systemen worden open gekraakt, alsof de ingedroogde modder weer open geploegd wordt, zodat er opnieuw gezaaid kan worden.


De setting hiervoor moet veilig zijn. Jongeren moeten niet het gevoel hebben om zich te moeten wapenen tegen de ander, en niet meer gevangen worden in de labels waarmee hun negatieve identiteit keer op keer bevestigd wordt. Ze moeten gezien worden als mens, de docenten moeten ze niet willen labelen, beoordelen, afwijzen of straffen, er moet oprechte interesse zijn en een zekere gelijkwaardigheid: we zijn allebei mensen. En: ‘ik zie jou.’


Het blijft natuurlijk de vraag wat de beste methode is voor de hele mensheid, om een beetje leefbare psyche te hebben om gelukkig te kunnen worden en waar een mens precies een gevoel van bewuste keuzes vandaan haalt. Maar speciaal voor deze doelgroep, degenen die hun straf uitzitten en tijdelijk buiten spel staan, lijkt mij overduidelijk dat zij helemaal wel wat hulp kunnen gebruiken in deze zoektocht. Het kan zijn dat Andrew gelijk heeft, de jongen die later pedagogisch medewerker wil worden en strenger wil straffen. Het kan zijn dat deze jongeren pas ‘wakker’ worden als je ze echt hard aanpakt. Van schrik zouden ze zich plots goed gaan gedragen. Maar mij lijkt dit slechts een extra conditionering, een repressiemiddel om ze in het gareel te krijgen. Geen vruchtbare grond om in te groeien.

Wat ik zie dat YIP aan de jongeren biedt is onvermoeibare en geduldige, oneindig geldende, respectvolle, veilige uitnodigingen om zichzelf als mooi, goed mens te gaan manifesteren in en zich weer te verbinden met de wereld.

Want mooie en goede mensen dat zijn ze allemaal, dat kan ik zo zien, dwars door hun schilden heen.


[1,3,4] Namen zijn gefingeerd. [2] Trying to be at home in the world, New parameters for art education, Gert Biesta, in: New futures in art education, 39-3, September 2019.


Sabine Wassenberg schreef op verzoek van YIP dit artikel over extase bij YIP. 2021.

37 views0 comments

Recent Posts

See All