Verwondering

een glimp langs de sluier van de taal

Verwondering is niet het gevoel: ‘Hé dat is grappige informatie, dat wist ik nog niet. Goh.’

Verwondering is ook niet: ‘Wat een prachtige fonkeling zie ik op het wateroppervlak!’

Maar beide raken het gevoel wel. Verwondering is een psychische staat waarin je even vervreemd bent van de wereld om je heen, waarbij je stilstaat bij het wezen van de dingen of jezelf. En filosofie kan je daar brengen.


Plato zei al: ‘Alle wijsbegeerte begint bij verwondering.’ Ik draai het graag om: door te filosoferen kom je in een staat van verwondering. Dit komt door de aard van filosofie. We zijn nieuwsgierig naar De Waarheid, dan wel Wijsheid. Maar bij filosofie komen er geen feiten naar boven, maar visies. Filosofie gaat namelijk om het beantwoorden van een speciaal soort vragen- niet beantwoordbaar met feiten. Deze filosofische vragen zetten je denken op scherp, maar bovendien dagen ze je uit om de concepten te onderzoeken en ze leiden je al gauw naar de grenzen van het menselijk verstand. Een meisje in de klas zei ooit: ‘Bij filosofie ga je allemaal zijweggetjes en uiteindelijk kom je uit bij een zwart gat.’ Je loopt dood, ofwel: je wordt met je neus op het mysterie van alledag gedrukt. Hierdoor wordt het vanzelfsprekende ineens bijzonder.


Wat is leven? Waar komt de wereld vandaan? Waar komt de mens vandaan? Waarom zijn er mannen én vrouwen? Hoe zijn er stenen gekomen?

Als een kind deze vragen stelt, stel ik me zo voor, dan zit er een zekere nieuwigheid bij de vraag. Hun blik op de wereld is nog fris, vers. Het is immers pas bijvoorbeeld 10 jaar geleden dat zij zelf ineens uit de buik van hun moeder zijn gekomen, als uit de opening van een onzichtbare waterglijbaan, vanuit de donkerte van het niet-bestaan, plotseling geworpen in de wereld.

Als zij zo’n vraag stellen is het nog echt oprecht nieuwsgierig en zit er verbazing bij. Waarom hebben we haar? Kan niet uitgelegd worden met het antwoord ‘nou dat komt doordat we haarzakjes hebben’, of ‘omdat we eerst behaarde apen waren en de evolutie heeft gezorgd dat we alleen nog op ons hoofd en onder onze oksels en nog wat andere plekken haar hebben.’ Kinderen zien gewoon de bizarheid van het feit dat er haar uit ons lichaam groeit. En zo zien ze ook de bizarheid van de twee geslachten. Waarom zijn het er niet drie? Of één? Het lijkt in die zin op een van mijn favoriete vragen ‘Waarom is water nat?’ Het antwoord H2O is niet afdoende. Waarom is de ene structuur nat en de andere niet? Waarom heeft een hele hoop van ene soort molecuul deze eigenschap en de andere die? Hoe komen de moleculen aan hun eigenschappen, aan hun wetten? Hoe weet een atoom wat hij moet doen? Waar komt de regelmaat in de natuur vandaan? En dat leidt natuurlijk naar: waar komt überhaupt alles vandaan?

Zo was er laatst een meisje van een jaar of 9 in de klas, Lara. We hadden het de vorige les gehad over het ‘niets’ n.a.v. een verhaal van Toon Tellegen, waarin de Eekhoorn en de Mier gaan lopen naar ‘de verte’. Opeens stond daar een muur met daarachter Niets.

De klas was het erover eens dat het niets eigenlijk niet bestond, omdat het per definitie niets ís. Maar paradoxaal genoeg, vertelde ik, denken sommige mensen wel dat voordat de aarde bestond, voor de Oerknal, of voor de Schepping voor de gelovigen, dat er daarvóór niets was. Niets dus. Een enkele gelovige wist dat te verwerpen met het punt dat god wel degelijk daarvoor al bestond, dus voor haar gold dat probleem niet. Maar Lara geloofde niet in god.

En nu, een week later, koos zij met een vriendin voor het interview dat ze met zijn tweetjes moesten doen toch de vraag uit hoe het universum was ontstaan. Tijdens de voorbereiding barste zij ineens los in een soort paniek aanval. Maar juf, dat kán echt niet! Hoe kan nou… eerst niks zijn, en dan ineens wél? Dat kan niet! Ze vond het niet logisch en was er helemaal van ondersteboven. Want ze had geen alternatief. Ze keek echt bezorgd. Zo snapte ze eigenlijk niks meer van de wereld waarin we leven. En ik ben het roerend met haar eens. Het is ook te bizar. En onbegrijpelijk. Het meisje wilde het interview niet doen, maar ik heb haar toch een oorkonde gegeven voor de mooiste interviews – juist omdat ik had gezien dat ze zo goed filosofisch had nagedacht. Grote complimenten en geruststelling dat het inderdaad een mysterie is.

Hoe er ooit iets uit niets ontstaan is is misschien een van de heftigst verwonderende vragen. Zelfs het enige alternatief dat we kunnen bedenken, ‘nee, er is nooit niets geweest, het universum was altijd en eeuwig aanwezig’ –ook daar kunnen we met ons menselijke begripsvermogen niet omheen. Hoe kan nou iets oneindig zijn? Waar bevindt zich dat oneindige dan eigenlijk?


Wat er gebeurt is dat ons normale interpretatiekader van de wereld, met daarin al onze geestelijke concepten, even gaat rammelen. Het matcht duidelijk niet meer precies met die werkelijkheid die we proberen te vatten.

Dit kan in principe met élke filosofische vraag gebeuren. Daarom zeg ik ook dat filosofie tot verwondering leidt.

Je begint gewoon met een onschuldige gezellige filosofische vraag, zoals ‘wanneer ben je een goed mens?’, ‘kun je verliefd worden op een robot?’, ‘hebben komkommers ook gevoelens?’ of ‘kunnen computers ook denken?’... En wat je vervolgens doet in het filosofische gesprek is het onderzoeken wat het concept in de zin betekent. Bijvoorbeeld ‘denken’. Wat is dat eigenlijk? Kan een computer ook informatie verwerken?

Het blijkt, eigenlijk altijd, dat een concept, niet goed te definiëren valt. De grenzen zijn vaag. Het is ook maar een woord, een label, dat mensen hebben verzonnen voor iets dat ze ooit hebben gesignaleerd in die wereld. Maar waar het precies begint en ophoudt, dat is een grote vage grijze zone. De wereld is niet zo zwart-wit als onze taal. En daarom komen we in de filosofische problemen – zodra we ons storten op een filosofische vraag: een vraag waardoor zo’n concept wordt bevraagd.


Met ons verstand vol concepten en woorden, leggen we een sluier op de werkelijkheid, waardoorheen we de wereld proberen te zien. We gieten de wereld cognitief in een mal, vol afgebakende dingen en regels. Maar alleen al bij de simpelste vraag blijkt de mal niet te functioneren.

Bijvoorbeeld: als je begint met één zandkorrel en je doet er één voor één een korrel bij, vanaf welk moment heb je dan een berg? Of: wanneer is een mens geen mens meer? Bij de dood? Of als het lichaam ontbonden is? En welk moment is dat dan precies?

Misschien een luguber voorbeeld, maar het feit is wel dat we leven in een continue kringloop van materiële deeltjes – we ademen, de appel die we eten wordt deel van ons lichaam – een deel van onze huidcellen laten weer los. We zijn continu in verandering, en dat is alleen nog maar wat we kunnen zien en weten, ongetwijfeld stroomt er ook nog allerlei onzichtbaars door ons heen. Maar we denken in afgebakende eenheden.

We hebben het over dingen als liefde, bewustzijn, ziel, een wil, tijd, politiek, oorzaken, redenen, ontstaan, goed en slecht die we niet duidelijk kunnen aanwijzen of afbakenen. We hebben het zelf verzonnen, dat ‘dingen een oorzaak hebben’, ‘dat liegen niet mag’, ‘dat mensen dingen willen’. Maar als je dan gaat vragen wat een wil precies is, waarom de aarde is ontstaan, of de tijd wel bestaat, dan kom je in de knel.

In mijn boek Mijn ego en ik gaat het vaak over het ego. Dit is je persoonlijke sluier – je interpretatiekader voor de wereld, waar ook nog eens in is opgeslagen wat je allemaal toe aangetrokken bent en welke dingen niet. Wat er bij jou hoort en wat niet.

In dit boek maak ik een filosofische zoektocht naar de vraag wat het ‘ik’ eigenlijk is, ook zo’n ‘concept’, en deze tocht voert me langs drie wetenschappers die alle drie vanuit een andere tak van wetenschap én vanuit een andere stroming van Boeddhisme de geest, het brein en meditatie onderzoeken.

Het goede nieuws, in dit boek, is dat Boeddhisten het erover eens zijn dat dit ego, deze sluier, ook gedeeltelijk of soms geheel afgezet kan worden. Misschien kan het doorschijnender worden. Ten tijde van mystieke ervaringen zijn plots alle gebruikelijke, vanzelfsprekende denkkaders verdwenen en zie je ‘de wereld zoals die echt is’. Egoloos.

Misschien zie je dan wel tóch het Ding an Sich, waarvan Kant dacht dat je die niet kunt kennen.

Misschien ontketen je jezelf dan, voor dat moment, uit de gevangen positie in de grot van Plato, en gluur je naar de échte wereld daar buiten.


Dat dit maar een moment duurt mag de pret niet drukken. Deze momenten kunnen overweldigend serieuze verlichtingservaringen zijn of wat minder heftig uitpakken. Maar onze ego-bril kan rammelen. En filosofie kan ons daar ook brengen. Juist door de aard van filosofische vragen gaan de concepten rammelen in ons wereldbeeld, in onze ego-bril. De contouren van de mal vervagen, zodat je de wereld meer ziet zoals die echt is zonder de talige menselijke labels die wij erop willen plakken.

Verwondering is het gevoel dat dit oplevert.

Waarom hebben we eigenlijk haar? Ben je de eigenaar van je schaduw? Is onze identiteit aangeboren of aangeleerd? Kun je aan niets denken? Leven stenen? Hebben komkommers gevoel?

Al deze vragen en nog duizenden anderen kunnen naar verwondering leiden. Als je het niet al direct voelt, zoals kinderen wellicht.

Ben je de eigenaar van je schaduw? Eigenaar? Eigendom, wat is dat eigenlijk? Kan een mens zomaar iets ‘bezitten’ in de wereld? En dieren en planten dan? Zijn die niet van zichzelf? Dat iets van iemand is, is maar een afspraak. Eigenlijk bestaat het niet, in de echte wereld daarbuiten. Het concept eigendom gaat rammelen.

Volgende vraag: Wat is een identiteit? Alles wat ik ben of bepaalde eigenschappen die mij definiëren? Ben ik met die eigenschappen geboren? Of kies ik die zelf? Als ze mij gegeven zijn, hoezo is het dan mijn identiteit? Ok, als ik aanneem dat ik daar geen vrije keus in heb, dan nog, ik heb nu deze eigenschappen en later verander ik wellicht. Heb ik dan wel dezelfde identiteit? Wie ben ik dan, als de eigenschappen die mij definiëren veranderen? Heb ik een kern?

Het concept van een stabiele kern, en het concept van identiteit, wordt zodra je het gaat bevragen, problematisch.

Het is namelijk maar een woord, wat we op de werkelijkheid proberen te plakken.


Die wondere wereld waar we proberen zicht op te hebben, laat zich niet zo makkelijk vangen in een theorie, in een taal. Onze taal geeft ons beperkingen waardoor we er werkelijk juist niets meer van snappen! We denken in leven versus dood, in termen van een ‘ik’, maar willen we die ik vastpinnen dan lopen we dood. We denken in tijd, maar weten niet wat het is. We denken in begin en einde, en in iets en niets, maar ons voorstellen hoe er ooit uit niets iets heeft kunnen ontstaan, gaat ons verstand te boven. We denken in entiteiten, grenzen, maar die grenzen die verspringen zodra we ze willen afbakenen. Het lijkt wel quantummechanica.

Het is wonderlijk. Die wereld, die werkelijkheid, die zich schuilhoudt achter onze taalsluier. En ik vind het heerlijk, die verwondering.

Het is haast een religieus gevoel. Het is net een Zen-koan. In de Japanse Zentraditie willen meesters nog wel eens een koan aan hun leerling geven. Een soort raadsel, waarop de leerling dan mag mediteren, soms jarenlang. Dit raadsel is niet cognitief op te lossen.

En filosofische vragen hebben die eigenschap ook.

Je kraakt je verstand zodat er een glimp van buiten de grot kan doorschemeren. En dat is goed! Want: the crack, that’s where the light gets in.


Soms is het eng: om te twijfelen aan zekerheden. Aan dat wat je dacht dat waarheid was. Die vervreemding is vreemd, soms naar, zoals de jonge Lara toonde.

Maar ik wil beweren dat het belangrijk is om dit te beleven, die verwondering, om op persoonlijk niveau af en toe met een zekere afstand, een zekere vervreemding, naar de wereld om je heen te kijken. We moeten ons blijven realiseren dat we in een wondere wereld leven, anders vallen we in slaap. Anders wordt het vanzelfsprekend. Dan kunnen dingen ontstaan zoals saaiheid, sleur, verveling. Mensen doen blasé. Oh ja, we leven in een wereld, whatever. Het leven, je eigen bestaan in dit wondere universum, wáár zich dat dan ook bevindt, is een wonder, dat niet vanzelfsprekend zou mogen worden.

Deze lezing gaf Sabine Wassenberg bij de Nacht van de Filosofie in Den Haag, 22-4-2017.



29 views0 comments

Recent Posts

See All